Belevenissen van een armmeester

In navolging op het vorige artikel over Teake Andries de Jong veertig jaar in dienst van wet en medemens, trof ik nog een artikel over hem aan. Dit artikel is gepubliceerd op 18 januari 1972 in de Leeuwarder courant toen hij zijn 80-jarige verjaardag vierde. Zo is het levensverhaal van deze ‘âld-plysjeman’ nog completer. Teake Andries de Jong – hij woont in Minnertsga en morgen wordt hij tachtig – heeft in zijn leven heel veel gevochten. Meestal werd dat gevecht gevoerd ten gunste van een ander. “Foar in oar woe ik wol fjochtsje”, zegt hij, “foar mysels net.” Die gevechten voerde hij in zijn functie van secretaris-boekhouder van het burgerlijk armbestuur, tevens armmeester van de gemeente Barradeel. Hij vond dat de mensen recht hadden op iets meer dan alleen eten en drinken en dat was in de tijd van de oude Armenwet geen algemeen standpunt. Meestal lukte het de heer De Jong wel iets meer beschikbaar te stellen, want hij stond zijn mannetje in het armbestuur. Het lijkt een niet erg aanlokkelijk beroep, dat van armmeester. Het viel mee, zegt de heer De Jong. Vooral de mogelijkheid om wat extra’s te doen voor mensen die in kommervolle omstandigheden leefden maakte het werken prettig. Dat neemt niet weg dat hij soms trieste tafereeltjes meemaakte. Als voorbeeld noemt hij het geval van een moeder, die snel de bordjes met brood van haar kinderen wegmoffelde toen armmeester De Jong binnenkwam. Zij meende namelijk dat zij haar kinderen geen suiker op het brood mocht geven. Vloermat Het lijken vaak kleinigheden die de heer De Jong zich herinnert uit zijn armmeester-periode. Daar is bijvoorbeeld de oude vrouw, die zich veel opofferingen had getroost om haar eenkamerwoning zo netjes mogelijk te houden. Slechts één ding ontbrak er nog aan: een nieuwe mat. Geld daarvoor had zij niet. De Armenwet stond het eigenlijk ook niet toe, maar armmeester De Jong heeft haar een mat weten te bezorgen. De armenwet heeft al geruime tijd geleden plaat moeten maken voor d e Algemene Bijstandswet, die beter aansluit bij de opvattingen van de heer De Jong. Toch is hij er niet onverdeeld gelukkig mee. Hij meent dat het mensen die niet zo erg van werken houden tegenwoordig wat te gemakkelijk wordt gemaakt om aan de kost te komen. Er zijn meer verschijnselen anno 1972, waartegen Teake de Jong zo zijn bezwaren heeft. Als oud-politieman (eerst in Den Haag, later in Barradeel) zou hij soms wel eens een wat steviger optreden willen zien bij ordeverstoringen. Hij heeft eens opgemerkt hoe opgeschoten jongens een politieagent vroegen zich te verwijderen, opdat zij konden doorgaan met vuurtjestoken. Als zoiets hem was gevraagd, hadden de jongens zonder enige twijfel een pak slaag gekregen. “Ik makke noait folle forbalen, mar ik ha in soad klappen útdield”, zegt hij over zijn veldwachterstijd. Teake de Jong stamt uit een timmermansgeslacht in Workum. Min of meer automatisch kwam hij ook in dat vak terecht. Gelukkig voelde hij zich daar echter bepaald niet in. Toen het er in 1916 […]
Taeke de Jong veertig jaar in dienst van wet en medemens

Op 31 januari 1957 stond een artikel in de krant over het afscheid van Taeke Andries de Jong (1892 – 1973) als secretaris-boekhouder van het burgerlijk armbestuur. Daarvoor was De Jong een lange tijd veldwachter in Minnertsga, maar de ouderen onder ons zullen hem herinneren toen hij allang van zijn pensioen genoot. Taeke Andries de Jong overleed 16 oktober 1973. Befke, die getrouwd was met Sikke Groeneveld, was een dochter van hem. Hij was dus de ‘pake’ van Baukje, Jilles, Taeke en Joukje Groenveld uit Minnertsga. ‘Het gemeentebestuur van Barradeel zal vanmiddag na de raadszitting in het gemeentehuis officieel afscheid nemen van een man, die bekend is in de gehele gemeente en ver daarbuiten: de heer T. A. de Jong uit Sexbierum, armmeester, zoals dat vroeger heette, of sociaal ambtenaar in de nieuwe, sociale terminologie. Vandaag gaat de heer De Jong, die als Bondsspreker van de Bond van Staatspensionering heel Friesland heeft afgereisd, zelf wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd met pensioen. Hij sluit daarmee een ambtelijke loopbaan van meer dan veertig jaar af. De heer De Jong werd in Workum geboren. In 1916 kwam hij bij de politie in Den Haag. In 1918 was hij al weer terug in Friesland: als veldwachter in Minnertsga. Hij deed zich daar te kennen als ’n streng, maar strikt rechtvaardig politieman, uitgerust met een grote dosis mensenkennis. In 1939 werd hij chef veldwachter te Sexbierum. In 1943 werd hij om gezondheidsredenen afgekeurd voor de politiedienst. Hij kreeg toen een benoeming als secretaris-boekhouder van het burgerlijk armbestuur. Verleden jaar was hij veertig jaar als ambtenaar in dienst van de Overheid. De heer De jong is een onvermoeid werker op sociaal gebied. ’s Winters gaat hij avond op avond spreken voor vergaderingen van de Bond van Staatspensionering , waarvan hij Bondsspreker is en secretaris van het provinciaal comité Friesland. Hij is in Barradeel verder nog reclasseringsambtenaar en gezinsvoogd. De laatste tijd is hij druk bezig voor het nieuwe rusthuis in Tzummarum dat zijn voltooiing nadert. Omdat hij bij alle voorbereidende werkzaamheden een voorname rol heeft gespeeld en alle nog niet voor elkaar is, heeft de gemeente een beroep op hem gedaan om na vandaag nog een maand in dienst te blijven. Het burgerlijk armbestuur van Barradeel zal straks worden omgezet in een sociale dienst. Deze dienst zal onderdak krijgen in het nieuwe gebouw van de gemeentewerken in Sexbierum. De heer De Jong heeft kantoor van het armbestuur steeds aan huis gehad. Hij kreeg thuis ook alle bezoeken. De heer De Jong beperkte zijn werk niet tot zijn zuiver ambtelijke plichten. Hij stond gezinnen en bejaarden terzijde. Nu hij gaat vertrekken willen velen hem daarvoor nog bedanken. Een oude man stopte hem een paar sigaren in handen. Een andere gaf hem een paar pond bruine bonen; ‘Fan myn eigen túntsje’. En een oud vrouwtje gaf een maaltijd spruitjes. ‘Der is al in heap foroare, al dy jierren’, zegt de heer De Jong. ‘Foarhinne spriek men fan “arme” of “behoeftige”, nou is it “geval”, […]
Tulpenvelden Minnertsga volop in bloei

Rond de jaren ’30 van de vorige eeuw was het kweken van tulpen in Minnertsga en omstreken ‘hot’. Rondom het dorp stonden de tulpenvelden in bloei, het moet een grote kleurenpracht zijn geweest. Jammer dat er toen nog geen kleurenfoto’s werden gemaakt. Er zijn nog wel een paar gewone zwart/wit foto’s die ons een beeld geven van toen. Een paar berichten uit de krant van toen. MINNERTSGA, 30 April 1930. Evenals in meerdere plaatsen in de omgeving zijn hier gardeniers die tulpen kweeken. Er zijn stukken land van 2 en 3 pondernaat die met tulpen bebouwd zijn. Reeds Zondag was er veel belangstelling om de velden Ie bezichtigen, hoewel den komenden Zondag nog meer tulpen in vollen bloei zullen staan. HET BILDT, 21 April 1931. Werden we gisteren verrast door bloeiende tulpen, de eerste dit jaar, in bloemperkjes door den Noorder’ wind beschut, vandaag zagen we ze ook op ’t veld en wel op het proefveld in gebruik bij Groeneveld en Tuinman op de Moeie Paal. Te midden van 25 verschillende soorten tulpen en de crokussen, die deze weken onze aandacht trokken door hunne bloei, was het nu de Grand Cue, die ons verbeidde als een voorbode van de beteekenis van de bloembollen. Want van beteekenis kunnen de bloembollen worden in onze omgeving. In onze gemeente zijn ongeveer 20 H.A. met bloembollen bepoot, in Minnertsga alleen 20 ha. Zonder overdrijving kan het arbeidsloon per H.A. op fl. 5OO bepaald worden; men hoort ook vaker dan eens fl. 2OOO noemen in dit verband. Waar dus veel grond met tarwe nog is uitgezaaid en daar niet veel op wordt verdiend, zou het van groot belang zijn, dat bovengenoemde teelt succes heeft. En ze staan er weer bijzonder mooi voor niettegenstaande de winter in Maart de oorzaak is, dat ze 14 dagen later in bloei komen dan vorige jaar. Toen waren ze om deze tijd bloeienden, nu zal ’t nog zóó lang dure dat ze in hun volle pracht zijn; maar als altijd: de eerste trekken de aandacht. MINNERTSGA, 24 april 1934. De bloeiende ’tulpen op de velden bij Minnertsga leveren thans een prachtig gezicht op en bewijzen tevens, dat sommige gronden in het Noordwesten van Friesland voor de bollenteelt even geschikt zijn als de geestgronden in Noord- en Zuid-Holland. Zondag werden de Friesche bollenvelden druk bezocht, Op den achtergrond het dorp. Bron: Leeuwarder courant
Nog meer foto’s vroegere postkantoorhouders familie Vis

Op deze weblog heb ik al een paar keer aandacht besteed aan de postkantoorhouders familie Vis. Jetske Vis was de laatste postkantoorhouder aan de Stasjonstrjitte die het postkantoor over had genomen van haar vader Minne. Op die berichten/verhalen is gereageerd door familieleden die mij nog wat foto’s hebben toegestuurd. Die foto’s horen hier eigenlijk ook een plaats te krijgen. Zo kunnen anderen ook weer meegenieten van de vroegere bewoners van Minnertsga. Op de foto de eerste foto staat Dirk (1904 – 1974), zoon van Minne Vis en Antje Muller. Dirk heeft korte tijd de post bezorgd in Minnertsga en omgeving. Hij staat hier afgebeeld op de motor met het kenteken B-5335. Dat kenteken is afgegeven op 2 juni 1922 aan Hessel Pettinga. Pettinga handelde in rijwielen, brommers en motoren en had zijn garage naast het pand van de Firma Schotanus. Vorige week kreeg ik een reactie van de zoon van Dirk. ‘Ik bin de soan fan Dirk Vis dy´t as jonkje op de foto stiet. Bij pake en beppe ha ik gauris útfanhuze. Ek holp ik bij de jierswikseling wol omkaarten te stempeljen. Wat betreft de nammen kin ik jo fertelle dat dat gauris ferkeard gong, net allinne bij mulder en muller mar ek wol mei postma en posthuma. Myn heit, Dirk Vis, hat yn 1939 mei de hân de saneamde stamkaarten makke foar Barradiel. Hij helle de gegevens út it befolkingsregister mar dat miste nogal ris in kear. Sommigen blieken neffens it register net iens te bestean. Lykwols kaam elk de stamkaart heljen omdat der letter distribúsjebonnen op te krijen wienen. De earste bonnen wienen foar sûker. Dêr wie genoch fan mar dat moast út prebeare wurde en dat slagge pûrbest want elk kocht de sûker op de bonnen’. De foto met de plaggenhut is waarschijnlijk gemaakt tijdens een dorpsfeest. De hut heeft de eerste prijs. Op het geveltje staat: Bezichtig deze Hut. Links op de foto staat Minne Vis de postkantoorhouder en dus de pake van de Minne Vis die zijn herinnering heeft gemaild. Maar wie is de man rechts op de foto en waar is deze foto gemaakt? Ik ben benieuwd of er reacties op deze vraag komen. Hiernaast nog een foto van Sipke Minnes Vis en Baukje Herrema. Sipke Minnes was een zoon van Minne en Antje Muller. Baukje Herrema kwam van Berlikum. Zij zijn getrouwd op 1 oktober 1940. Dubbelklik op de foto’s voor een vergrote weergave. 26-12-2013 aanvulling op dit artikel: Bij de foto met de ‘plaggenhut’ is de man rechts op de foto Rinse Terpstra (1889-1963). Hij was getrouwd met Maartje Heeringa (1890-1985). Het echtpaar woonde in het ‘stjelpke’ aan de Scheltingawei 2 in Minnertsga. Kleinkind Anja Klug-Terpstra herkende haar ‘pake’.
Onzichtbare burgemeester Den Haag begraven in Minnertsga

Een burgemeester is iemand die het boegbeeld moet zijn van de gemeente. In Minnertsga hebben vroeger burgemeesters gewoond die daar een voorbeeld van waren. Burgemeester L.W. de Vries (1849-1928) en burgemeester Bauke Anema (1870-1950) waren van die boegbeelden in het dorp, maar ook in de gemeente Barradeel waar Minnertsga vroeger toe behoorde. Maar in Den Haag was in het begin van de vorige eeuw een burgemeester die zijn kamer en het stadhuis zelden uitkwam. Mr. Joan Sippo baron Van Harinxsma thoe Slooten was van 1892 – 1898 eerst burgemeester van Leeuwarden en werd daarna burgemeester van Den Haag. Hij voelde zich ver verheven boven het gewone volk om er mee om te gaan. Hij kwam dan ook weinig uit zijn uit zijn burgemeesterskamer vandaan. Slechts weinig Hagenaars hebben het genoegen gehad hem te mogen ontmoeten tijdens zijn ambtsperiode, waarbij deze burgervader dan nog niet naliet duidelijk van zijn hoge afkomst te doen blijken. Daarbij moeten zijn bestuurlijke kwaliteiten niet buitengewoon zijn geweest. Toen hij op 4 april 1904 stierf, heeft zijn heengaan slechts een heel kleine kring kunnen ontroeren – de Hagenaars zelf zei het overlijden van deze burgervader gewoon niets. Het is interessant en bijzonder verschillend hoe de media van die dagen reageerden op de dood van burgemeester van de residentiestad. “De burgerij”, aldus de Telegraaf, “stond verre van deze burgemeester, die zelden zich langs de drukke straten vertoonde, geen drang bezat naar het burgervaderlijke, naar minzaam ambtsvertoon buiten de raadzaal en burgemeesterskamer. Nimmer bijna daalde hij van den troon van administratie en gezag, naar het huiselijk verkeer der burgerij. Gevers Deynoot, Patijn, De Beaufort lieten zich gaarne vinden voor een prijsuitreiking, een beschermheerschap, of gaven plechtigheid en eere aan uitvoeringen van de vele zang- en toneel- en gymnastiekvereenigingen der Hagenaars. Burgemeester Van Harinxma zag men echter zelden of nooit te midden van zijn burgers; de meesten kenden zelfs zijn gelaat niet, noch wisten waar hij woonde. Dat de doodtijding in de stad weinig anders dan als nieuws ontvangen werd, is niet te verklaren uit antipathie of ontevredenheid met het burgermeesterlijk beleid; de burgerij kan niet treuren, want zij heeft haar burgemeester nooit gekend. Baron Van Harinxma werd hier vroeger reeds geschetst als een onbuigzaam Friesch edelman. Uit zijn geheele verschijning sprak het onverzwakte geloof in natuurlijke hoogheid van den adelstand. Deze naïeve hooghartigheid stempelde zijn gansche wezen. Hij was geen handjes-gevende aristocraat met een overproductie aan glimlachjes voor de “poorters”, die hij echter in het binnenst van zijn gemoed naar de plebs verwijst – maar onze verscheiden burgemeester was spontaan aristocraat, die het bewaren van den afstand niet aan het “bon sens” van den burger overliet, doch zelf steeds en onverbiddelijk zijn hooge geboorte te gevoelen gaf. Menig raadslid heeft dat ervaren. Deze eigenschap moge hinderlijk zijn geweest – en menigmaal kon dat hier blijken – zij bewees tevens burgemeester’s oprechtheid, want hij was een eerlijk man, die zich in deugd en ondeugd zonder omwegen gaf. Was hij als type van den Frieschen adelstam een bijzondere figuur, […]
Jelte Posthumus viert honderdste verjaardag in Tzummarum

Deze keer een actueel artikel uit de Franeker courant van deze week. Jelte Posthumus is een ‘Minnertsgeaster om útens’ en mag in mijn beleving met zijn hoge leeftijd niet ontbreken op Minnertsga vroeger. TZUMMARUM Jelte Posthumus heeft vrijdag zijn honderdste verjaardag gevierd in zorgcentrum Nij Bethanië in Tzummarum, waar de eeuweling sinds vijf jaar woont. Burgemeester Fred Veenstra van de gemeente Franekeradeel kwam vrijdagochtend bij de jarige op bezoek om hem te feliciteren met het bereiken van deze mijlpaal. Op 19 april 1913 kwam Jelte Posthumus in Minnertsga ter wereld als oudste zoon van Bote Posthumus en Jitske Bekius. Hij kreeg daarna nog twee zussen. Jelte wilde graag timmerman worden, maar werd zoals toen veel jongens landarbeider. Het was hard werken. In 1939 trouwde hij met Antje Hiemstra. Tijdens de oorlogsjaren kregen ze een dochter en twee zonen en na de oorlog werden er nog twee jongens geboren. Ze bleven steeds in Minnertsga wonen en Jelte werkte tot z’n zestigste bij de boer. Daarna moest hij nog op zoek naar ander werk. Hij was nog vijf jaar werkzaam bij de kabelgraverij en kwam zodoende ook eens aan de andere kant van de Afsluitdijk. Jelte is dankbaar dat alle kinderen nog leven. Er zijn elf kleinkinderen en een groot aantal achterkleinkinderen. In 1998 stierf zijn vrouw en Jelte bleef zelfstandig wonen tot z’n 95ste levensjaar. Toen ging het niet meer en verhuisde hij naar Nij Bethanië, waar hij sedertdien met veel plezier woont. Hij laat weten ingenomen te zijn met de goede verzorging die hij er ontvangt. Bron: www.franekercourant.nl
I-pod van oerbeppe Gatske begin jaren ’50

Op de Facebook-pagina van ‘Minnertsga vroeger’ verschijnen steeds meer mooie foto’s van vroegere dorpsbewoners, oude dorpsgezichten en portret- en familiefoto’s. Fotoalbums worden doorgekeken en schoenendozen worden omgekeerd om maar weer wat mooie foto’s op Facebook te kunnen zetten. En bij die foto’s wordt vaak in een korte bewoording een herinnering geschreven of de foto’s worden aangevuld met namen. Het is fantastisch om deze herinneringen en informatie op deze wijze met elkaar te delen. Zelf heb ik ook nog maar eens een oude foto opgezocht die toch ook wel heel bijzonder is. Op de foto staat mijn oerpake Hendrik Bouma met zijn vrouw, mijn oerbeppe Gatske Tighelaar. Oerpake Hendrik Bouma is geboren op 9 oktober 1870 in Berlikum. Hij trouwde op 25-jarige leeftijd met de toen 21-jarige Gatske Tigchelaar. In februari 1897 werd hun eerste kind geboren. Later zouden er nog zeven volgen. De kinderen zijn geboren in Beetgum, Berlikum, Dronrijp, Minnertsga, Firdgum en Menaldum. Dat had te maken met het feit dat Hendrik arbeider was en van de ene boer naar de andere ging te werken. Over het algemeen waren arbeiders een jaar in dienst bij de boer. In de buurt van de boerderij stonden vaak een paar arbeiderswoningen waar de arbeider dat jaar dat hij in dienst was kon wonen. Voor zover er over een arbeidscontract kon worden gesproken, ging het arbeidscontract in op 12 mei en liep tot 12 mei in het jaar daarop. Oorspronkelijk was 1 mei de datum waarop een nieuw arbeidscontract en ook de pachtcontracten van boeren werd aangegaan. Toen in 1700-1701 ook in Friesland overgegaan werd van de Juliaanse op de Gregoriaanse kalender veranderde 1 mei in 12 mei. Na 31 december 1700 volgde namelijk 12 januari 1701. In het Fries wordt 12 mei nog altijd “âlde maaie” genoemd, doelend dus op oude datum 1 mei. Op 12 mei werd er vroeger veel getrouwd. Het was op die datum, of er vlak voor of na die datum, druk op het gemeentehuis met het voltrekken van huwelijken. Vijftien paren in de echt verbinden op zo’n dag was geen bijzonderheid. Henrdik en Gatske hebben het laatst gewoond in een woning op Dirkjebuorren. Daar stond vroeger nog het oude voorhuis van een afgebroken boerderij. In dat oude voorhuis waren verschillende wooneenheden gemaakt. Volgens een plattegrond die mijn vader ooit een keer heeft getekend van Dirkjebuorren waren er vier wooneenheden in gemaakt. Mijn oerpake- en beppe woonden in het tweede vanaf de voorkant gezien. In november 1923 trouwde hun zoon Gerrit (mijn pake) met Grietje de Jong en op 18 april 1924 werd in St. Annaparochie hun eerste kindje geboren. Een meisje met de naam Grietje. Pake Gerrit woonde later met zijn gezin in een kleine arbeiderswoning in de Mieden. Waarschijnlijk zijn de woonomstandigheden slecht geweest want toen mijn pake zijn vrouw in verwachting was van mijn vader in 1926, kreeg zij TBC. Na de bevalling werd het zo erg dat zij opgenomen moest worden in het sanatorium in Appelscha. In die periode kreeg ook het dochtertje […]
L.A.B.O. chauffeur Dirk Kuiken hield er mee op (1979)

Toen de L.A.B.O. en later de FRAM in Minnertsga nog een garage had op de Hermanawei, woonden er veel chauffeurs in het dorp. Als zij dienst hadden gingen zij in keurig uniform op de fiets naar de garage om hún bus op te halen. De meeste chauffeurs woonden toen in de Havenstrjitte en de Tsjerkestrjitte.
Haven wordt gedempt; rioolwater schoon

Begin 1974 zag het er naar uit dat Minnertsga zou worden aangesloten op de persleiding naar de zuiveringsinstallatie tussen St. Jacobiparochie en St. Annaparochie, zodat de viezigheid van de haven zou verdwijnen. De haven was toen een stinkend stuk water waar het gemeentelijk riool in uitkwam. In 1974 stond er niet eens zoveel water meer in de haven, het was hoofdzakelijk stinkende bagger. De haven deed toen al niet meer dienst als laadplaats voor bietenschepen. De veiligheid rond de haven baarde de omgeving vooral zorgen na de tragische verdrinking van de achttienjarige Haaie Hofstra in december 1973. Haaie was niet de eerste die in de haven is verdronken, want in februari 1966 kwam de vijfjarige Folkert Jan Stallinga in het vieze water om het leven. Drie jaar daarvoor raakte de toen zesjarige Baukje Sijbesma in de haven te water. Haar vader was toen bezig met het lossen van bieten vanaf de kade in het schip en merkte niets van het ongeluk. Gelukkig hoorde Pabe Tuinhof het gehuil van de kleine meid en spoedde zich naar de plaats waar het gehuil vandaan kwam. Hij slaagde er in het meisje te grijpen en behouden op de wal te brengen. Na deze gebeurtenissen hadden omwonenden aangeklopt bij het gemeentebestuur om adequate maatregelen te treffen. Burgemeester en wethouders dachten aan het plaatsen van een hek langs de hele haven en hoge kade. Maar daar is uiteindelijk van afgezien omdat kinderen de neiging hebben te gaan klimmen als er een hek staat, “en dan is de sitewaesje noch gefearliker” aldus de Minnertsgaaster wethouder Sijtse Bierma. De straatverlichting ging ’s avonds om negen uur in de ‘nachtstand’ waardoor de omgeving van de haven dan al in volledige duisternis was gehuld. De bewoners uit de omgeving zouden hebben geklaagd bij de gemeente om daar verandering in te brengen, maar dat werd afgeschoven naar het P.E.B. in Leeuwarden. Want de straatverlichting werd daar centraal geregeld. Bovendien was het volgens wethouder Bierma het niet echt noodzakelijk om de woningen langs te haven te bereiken, want aan de haven staan alleen woningen die met de achterzijde naar de haven waren gericht. Dat was natuurlijk een argument van niets, er lag immers een openbare weg die ook al zodanig werd gebruikt. De ongerustheid over de gevaarlijke situatie bij de haven bleef bestaan en ook de verwijten richting gemeentebestuur bleven onverminderd. Het was dan ook wel begrijpelijk dat de omwonenden een snellere oplossing hadden gewild, maar de mogelijkheden tot een drastische aanpak waren er niet eerder. In 1974 stond de verbetering van de doorgaande weg tussen Minnertsga en Tzummarum op het programma. Omdat bij die gelegenheid veel grond moest worden verzet, is besloten tegelijkertijd de haven te dempen. In 1955 had men de havenkom in het dorp al gedempt. Bron: Leeuwarder courant 11 november 1963 Leeuwarder courant 16 januari 1974
Het wereld beroemde ‘Strijkje’ uit Minnertsga

Onlangs kreeg is een prachtige foto van Het strijkje toegestuurd van iemand uit het nageslacht van Willem Meijer. Hoewel het Bildts Dokumintasysintrum een kopie van deze foto in de beeldbank heeft staan, lijkt het mij dat dit een zeldzame foto is. Ik heb tenminste nog nooit foto’s gezien van Het strijkje. En zo nieuwsgierig als ik ben over het Minnertsga van vroeger, dan vraag ik mij gelijk af hoe komt zo’n foto in de familie Meijer terecht? Dus weer stof tot nadenken en te onderzoeken. Dat Het strijkje heeft bestaan, dat was mij wel bekend. Ik kan mij herinneren dat mijn vader het er wel eens over had. Waarschijnlijk kwam dat omdat wij een oude viool in huis hadden die door mij jongere broer en mij werd ‘bespeeld’. Het was wel een interessant ding want er zat ook een grote strijkstok bij. We kregen er geluid uit al was dat zeker niet om aan te horen. De viool was van mijn vader maar of die ook bij Het strijkje heeft gezeten . . . . . . het is mij niet bekend. Daarom heb ik alles maar eens bij elkaar gezocht wat ik kon vinden over dit orkest. Het orkest is in 1925 of in 1926 in Minnertsga opgericht als het strijkorkest O.K.K. wat Oefening Kweekt Kunst betekende. In de volksmond stond het strijkorkest beter bekend als ‘Het strijkje’. Oprichter van het strijkorkest was verzekeringsagent Hiemstra uit Menaldum. Hiemstra was vioolspeler en gaf ongeveer een jaar of drie les in de openbare lagere school in Minnertsga. Tot kort na de Tweede Wereldoorlog werd in andere dorpen in de omgeving van Minnertsga veelvuldig de viool bespeeld. In de 30-er jaren bestonden er in ieder geval in Dronrijp, Marssum, Deinum, Beetgum, Franeker en Harlingen strijkjes en/of orkesten met symfonische bezetting, getuige de programmaboekjes van de concoursen die in die tijd werden gegeven. Maar . . . . wie waren nu allemaal lid van Het strijkje? In één van zijn boeken van Dooitze Zwart is nadere informatie te vinden die de auteur heeft gekregen van Ulbe P. Wassenaar en Sipke J. Zoodsma. Het strijkje was een gemêleerd gezelschap van Minnertsgaasters en Berlikumers. Zo was Piet Faber van Berlikum, die zelf ook verdienstelijk viool en trompet speelde, de dirigent van het orkest. Dat deed hij bijna zolang Het strijkje heeft bestaan. Doordat Faber van Berlikum kwam, nam hij ook dorpsgenoten mee naar Het strijkje. Naar alle waarschijnlijkheid was Faber niet de eerste dirigent, want in een krantenbericht kwam ik tegen dat bij de oprichting van het orkest een zekere H. Spitters dirigent is geweest. Wie zaten er nog meer in het orkest? Wel, de piano werd bespeeld door Sjoke en Renske Meijer, dochters van Lieuwe Meijer. Dochter Gatske speelde de 3de viool. Willem Meijer (zoon?) speelde de 2de viool net als Piet van der Wal. Marten Meijer en Ulbe P. Wassenaar speelden de 1ste viool. Met zoveel Meijers in het orkest is het dus verklaarbaar waarom deze foto uit het familiearchief van de Meijers […]