Geen ijsbaan in Minnertsga

28 januari 1933: Tot heden is ons dorp niet in het bezit van een ijsbaan en moeten de jeugd en verdere beoefenaars van de ijssport zich vermaken op slooten en als het kan op de vaart. Wegens onbetrouwbaarheid van ‘ t ijs in de vaart waren de banen er nog niet door. Eenige vrijwillige baanvegers maakten een baan en er werd gereden. Aan de kant was ’t ijs niet erg sterk en een paartje zakte er door. Het meisje zakte tot aan den hals toe in het ijskoude water. De jongeman tot den middel, waardoor hij het meisje op het droge kon helpen, zoodat het ongeluk nog betrekkelijk goed afliep. Bron: Leeuwarder Courant
Winter van 1929

It knypt flink oan de lêste dagen. Der leit noch kwalik in stik iis yn de feart as de media bûten Fryslân jaget de boel op om foaral mar oan in Alve Stêdentocht te tinken. Mar safier is it noch net. Mar dochs . . . . . . de temperturen komme aardich yn de rjochting fan de winter fan 1929. Lês ûndersteand fan 19 februari 1929 út de Ljouwert krante. DE WINTER-ELLENDE. Het is wel al te bar geworden. Eerst waren de liefhebbers van schaatsenrijden dol verheugd over de toenemende vorst: er zou eens eindelijk weer een behoorlijke winter komen! Maar een kou als deze hebben ook zij niet gewenscht en voor velen, die in de periode van vorst geen werk kunnen krijgen en wier kachel toch moet branden, begint deze winter op een ramp te lijken. Woensdag had men eenige hoop, dat de felste kou geleden was, doch na een sterken sneeuwval is het opnieuw begonnen en vroor het ’s nachts weer 18-20 graden, overdag schommelde de temperatuur zoo om en bij de 10 graden. Wel is er sedert einde vorige week eenige verandering gekomen in de weersgesteldheid, wel stijgt de thermometer af en toe tot het dooipunt, doch gevreesd wordt dat uit het Oosten nog meer vorst zal komen en in elk geval zijn de gevolgen van dezen langen, strengen winter nog lang niet geleden. Ook in ons land zijn enkele menschen van koude omgekomen. In verschillende plaatsen komt thans ook de drinkwatervoorziening voor mensch en dier zeer in gevaar, daar de waterputten bevroren zijn en in de slooten het ijs tot den bodem zit. Dit vermeerdert nog het gevaar bij brand, en er is de laatste weken reeds heel wat door het vuur verwoest. Bovendien -en dit komt als een noodkreet tot de meer bevoorrechten- heerscht in tal van plaatsen een nijpend gebrek. De werkloosheid neemt hand over hand toe en in de bittere koude wordt armoede geleden, hoewel verschillende gemeentebesturen alles doen wat in hun macht is om althans den ergsten nood te keeren. Hier en daar zijn steuncomité’s opgericht. Het wordt zo langzamerhand een zeer moeilijke toestand. In sommige kanalen in de provincie moet het ijs reeds een dikte van meer dan een halven meter hebben bereikt. Er blijken talrijke kuilen met aardappelen bevroren te zijn; de melk kan op het platteland bijna niet vervoerd worden, daar zij bevriest in de bussen. Ook in de vogelwereld heerscht groote armoede. Laat men ook hen gedenken. Strooi voedsel en zet af en toe een bak warm water buiten, opdat de dieren kunnen drinken. Op 17 februari 1929 reden Jan Heeringa en Lammert Brouwers uit Minnertsga met de auto over het ijs van de Waddenzee naar Ameland.
Oude foto’s bij de buren

Het dorp Wier is één van de buurdorpen van Minnertsga. Niet onbekend natuurlijk en . . . . . eigenlijk een overbodige constatering om dit stukje tekst mee te beginnen. Maar voor de bezoekers van dit blog, die niet zo bekend zijn met de topografie van deze omgeving, is het wel even goed om te weten. Wier is een pittoresk dorp gelegen ten oosten van Minnertsga en schommelt de laatste jaren rond de 200 inwoners. Als je vroeger vanuit Minnertsga naar de grote stad – Leeuwarden – moest, dan ging je over Wier, Berlikum, Beetgum, Beetgumermolen en Marsum daar naar toe. Tegenwoordig zijn er andere en snellere routes om in Leeuwarden te komen. Vanaf Leeuwarden liep vroeger via deze route ook een spoorlijn van de NTM met als eindpunt St. Jacobiparochie. Deze trein liep midden door de hoofdstraat Wier en rakelings langs de woningen die er stonden. Levensgevaarlijk zou je zeggen, maar of dat ook geleid heeft tot ongevallen is mij niet bekend. Wel kan ik mij herinneren dat één van de goederen wagons een keer een hele dakgoot meegenomen heeft van een woning. Van Wier en haar bewoners zijn prachtige oude foto’s te vinden op internet. Rechts van dit artikel staat de link naar de website of – klik hier – Af en toe staat er ook een Minnertsgaaster tussen.
Lûdsopnames fan jieren lyn

Sa no en dan doch ik wat oan strunerij op ynternet. Net ferkeard begripe . . . . it hat te krijen mei it sykjen nei de skiednis oer myn berte doarp. Sa stadichoan is der al hielwat by elkoar skarrele. Fan ‘e wike bin ik op in jûn nei Frjentsjerwest wer’t in lêzing hâlden waard torch in meiwurker fan Tresoar út Ljouwert. Hy broch my op it spoar fan de webside fan it Meertens instituut dy’t harren presentearje as: ‘Het Meertens Instituut is een onderzoeksinstituut dat zich bezighoudt met de bestudering en documentatie van Nederlandse taal en cultuur. Centraal staan de verschijnselen die het alledaagse leven in onze samenleving vormgeven. Het Meertens Instituut is onderdeel van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen’. Ik hie wol ris faker op dy webside sjoen, mar no kaam ik dochs wat tsjin dat hiel nijsgjirrich is. It binne twa lûdsopnames dy’t jieren lyn makke binne ynferbân mei ûndersyk nei dialekten. By it belústerjen fan de opnames binne jo benijd wa as dy Minnertsgeasters binne. Op de earste opname set it petear yn mei in frou dy’t frege wurdt oer de brân fan de tsjerke in 1947. Ik werken de stim net mar letter komt der ek in mannestim by en oan it praat te hearen – en ek oan de stim – is dat Bouwe de With. Dat kin net misse. Bouwe hie in winkel op ‘e hoeke Meinardswei – Hegebuorren en hannele yn saneamt wytguod, radio’s en tillevyzjjes. Ik kaam der wol gauris om Witte Kat batterijen op te heljen foar de bûslampe dy’t ik op myn karre hie. De oare opname kin hast net oars wêze as wy heare de stim fan Anne Gaukes Reitsma. Hy fertelt prachtig oer de gernierkeij, oer it flaaksbraken en oer de Douma’s. Ek is letter syn frou noch te belústerjen dy’t in dochter wie fan de Minnertsgeaster bakker Teake Oberman. Anne Gaukes Reitsma fertelt ek dat er yn in âld doktershûs wennet. Dit is it hûs oan de lofter kant fan de froegere slachterij fan Bonnema. En dat kloppet ek wol want in dat hûs wenne froeger de ‘heelmeester’ Petrus Lucas Hannema. Dat wie sawat fan 1835 – 1875. Om de lûdopnames te belústerjen klik hjir
200 Friese gardeniers scheppen zich een nieuw bestaan in Suderleech

Bijna 400 bunder werd voor de ‘helsdoarren’ weggesleept. Definitieve vestiging in toekomst mogelijk. Onder deze grote kop stond maandag 16 juni 1952 een groot artikel in de Leeuwarder courant waaruit onderstaande tekst is aan ontleend. Voor de derde maal hadden aardappelen van de Friese gardeniers vrucht in de Noordoostpolder. Voor de derde maal kwamen de polderboeren, die geselecteerd waren uit duizenden Nederlandse boeren, kijken en zich verbazen over hetgeen de Friese gardeniers uit de grond wisten te halen. De gardeniers waren zelf ook verbaasd, want het product dat zij toen in 1952 teelden was beter dan ze hadden durven hopen. Met spanning zagen zij dan ook het ogenblik tegemoet waarop hun tijdelijke vestiging in de polder zou worden omgezet in een definitieve, omdat zij in de polder nieuwe kansen gekregen hadden zich een bestaan op te bouwen. De aardappelmoeheid heerste al ruim tien jaar in de Friese bouwstreek en de Wet op de Aardappelmoeheid, die rond 1950 in werking was getreden, noopte de telers tot wisselbouw waardoor het voor de gardeniers op hun kleine stukjes grond schier onmogelijk was gemaakt nog een bestaan te vinden. Op de harde kluiten van Barradeel en Menaldumadeel was daarvoor toen geen vervangend gewas te vinden. Het gevolg was dat vele gedupeerden gardeniers een bijstandsuitkering moesten aanvragen bij de sociale dienst van de gemeente. Het was dan ook geen wonder dat vele gedachten uitgingen naar het ‘Suderleech’, waar nog duizenden hectares in de Staatsexploitatie waren en geenszins intensief bebouwd werden. De polderdirectie had zich echter bij het bevolken van de polder een ideaal gesteld, dat niet geheel strookte met het toelaten van de Friese gardeniers. Toch zal de vakbekwaamheid van deze aardappeltelers de directie niet zijn ontgaan en zou bij een eventuele definitieve vestiging van de Friezen, waarvan sprake was, deze ongetwijfeld bijdragen tot de goede naam die de polder reeds op landbouwgebied had opgebouwd. In 1952 waren er in de polder 47 combinaties van gardeniers met in totaal 202 leden die een oppervlakte van 399 hectare land met aardappelen verbouwden. Honderdduizenden guldens hadden ze in grond, in de buurt van voormalige eiland Schokland, geïnvesteerd. De aardappelvelden lagen voor een groot deel bij Schokland, maar ook bij Marknesse lagen enkele velden. In de voorgaande jaren zaten de Friezen meer in het centrum van de polder, maar naarmate de uitgifte van boerderijen aan pachters vorderde, schoven de gardeniers verder van het centrum en kwamen toen onder aan de dijk te zitten. Voor het seizoen 1952 kon er slechts amper 400 bunder door de gardeniers worden gerealiseerd en omdat dat het bij de ‘helsdoarren’ weg moest komen had men de veronderstelling dat het volgende seizoen vrijwel onmogelijk was om nog voldoende grond te bemachtigen voor de gardeniers, tenzij er voor hen een definitieve vestigingsplaats werd aangewezen. ‘Se hawwe ús hjir leaver net as al’, zei de heer Plat uit Oosterbierum tegen de journalist van de Leeuwarder courant die ter plaatse was tussen een rij schoffelende mannen. De heer Plat vormde samen met Lautenbach van Berlikum en Piet […]
Levertraan

Wintertijd betekende vroeger, dat de fles met levertraan uit de kast werd gehaald. Als ik terugdenk aan die lepel van die gelige olie voor het slapen gaan, dan lopen bij deze vijftiger nog de rillingen over de rug. Bah . . ., vreselijk, die smaak die je nooit meer zult vergeten. En velen van u zullen dit kunnen beamen. Onze ouders wisten kennelijk ook wel dat het een vieze, weeë smaak was want de meeste kinderen kregen na deze ‘kindermishandeling’ een snoepje, pepermuntje of een koekje om de traansmaak enigszins te neutraliseren. Het verhaal was vroeger dat het goed voor de lichamelijke weerstand was. Teksten uit reclame advertenties luiden als volgt: ‘Er worden hogere eisen gesteld aan uw kinderen wanneer zij de lagere school verlaten en naar een middelbare school gaan: een grotere geestelijke inspanning en een sterker concentratievermogen. Ook het zo beruchte huiswerk speelt een belangrijke rol en er blijft maar weinig tijd over om in de buitenlucht te zijn. U zult maatregelen moeten nemen om uw kinderen lichamelijk en geestelijk op peil te houden. Hier schiet onze gewone voedsel te kort, vooral in de wintermaanden wanneer er weinig zon is. Slechts één middel helpt afdoende . . . ‘. Ja, en dat was die beruchte levertraan! Er wordt aangenomen dat levertraan een bloedverdunnende werking kan hebben, het risico op ontstekingen (zoals de ziekte van Crohn, artritis, psoriasis) kan verminderen en de kans op hartaandoeningen verkleint. Een oude visser vertelde eens dat hij door spierreuma zo goed als invalide is. Niets hielp. Ergens had hij nog een hoeveelheid levertraan liggen en gebruikte dat zes weken lang. Zijn bloedbezinksel daalde van 70 naar 30 en de pijn in vingers en schouders verdween. Levertraan voorkomt dat het bloed gaat stollen. Het is ook nuttig voor de behandeling van reuma en andere pijnlijke aandoeningen. Zo dom was die visser dus niet. De stoffen in levertraan verlagen eveneens de bloeddruk. De levertraan raakte in de jaren zeventig van de vorige eeuw uit de gratie omdat men dacht dat het uit de beschermde walvis werd gewonnen. Het werd echter uit kabeljauw gehaald. De beroemdste levertraan was die van Samuel Draisma van Valkenburg. Draisma opende in 1869 zijn levertraanfabriekje in de Doelstraat in Leeuwarden. De zaken gingen goed. Decennialang was Draisma van Valkenburg marktleider in Nederland. De fabriek sloot in 1974 haar deuren. Volgens mij herkennen de meeste lezers onder u nog de bekende fles met daarop die zwarte bootjes. Zo rond de jaren 1900 was deze levertraan in Barradeel verkrijgbaar bij L. Heukels in Minnertsga, in Tzummarum bij E. Zijlstra en R.J. Elzinga, in Oosterbierum bij M. Sietsma en in Sexbierum bij de wed. C.C. Knoll, in Pietersbierum bij J.S. Hibma en tot slot in Wijnaldum bij IJ. De Boer. Dus zijn er in de loop der jaren heel veel Barradeelsters met dit gelige goedje groot gebracht. Ik laat het hierbij; genoeg over levertraan . . . alleen die smaak al!
Jeugd vernielde leegstaande woningen

In de kleibouwstreek van Friesland staan huizen leeg. Meeste oude huizen, eenkamerwoningen, die midden in het veld staan, vertrokken van alle moderne comfort, zoals waterleiding en elektrisch licht. Er zijn dan ook praktisch geen gegadigden voor te vinden, ook al is de huur bijzonder laag. De huizen – of liever huisjes – zijn degelijk gebouwd, maar vaal veel te klein en te ver afgelegen voor de moderne mens, staan daar maar leeg, vaak te goed om afgebroken te worden. Een kamer in één van de huizen, die aan de vernielzicht van de jeugd blootstaat. Behang, planken en scherven liggen over de vloer. Toch wordt er op deze manier aan de afbraak van de huizen gewerkt, want ze kunnen nog zo ver weg staan, de jeugd weet ze te vinden en maakt grif een begin met de sloop. Ruiten worden kapot geslagen, het behang wordt met linnen en al van de muur getrokken, planken worden uit de bedsteden gesloopt, kort om de vernielzucht viert hoogtij in deze afgelegen, leegstaande huizen. ‘Er moet toch wat aan te doen zijn’, aldus de eigenaar van een paar van zulke huizen aan de Krommeleane en in Dirksjesbuurt, de heer Johannes Hannema te Minnertsga, een dikke zeventiger, ‘de jeugd van tegenwoordig is toch niet waardeloos. Ergens hebben de jongeren toch wel een greintje respect voor het eigendom van anderen’. Misschien ligt het er aan, dat in Minnertsga, zoals in zovele plaatsen, niet genoeg ruimte is voor de jeugd om zijn energie uit te leven. Toch . . . . . ook in Minnertsga zijn er sportverenigingen, waarin de jongens en meisjes hun levenslust kunnen uiten. Wat zou er aan te doen zijn? De heer Hannema is van mening, dat de jeugd bezig gehouden moet worden. Er moet iets voor hen gedaan worden, bijvoorbeeld het geven van filmavonden, het houden van excursies naar tentoonstellingen, of alleen maar het veld in. Op die manier zou de jongeren misschien iets van waardering voor de natuur, voor de kunst of voor het eigendom van anderen bijgebracht kunnen worden. Wie dit zou moeten doen, is een moeilijke vraag, want evenals in vele andere plaatsen kent Minnertsga de verscheidenheid van levensbeschouwingen, die een goede samenwerking vaak in de weg staat. Misschien is het iets voor de onderwijzers in Minnertsga en in andere plaatsen om er gezamenlijk iets aan te doen. Bron: Leeuwarder Courant 23 mei 1959
Gezondheid in de winter (jaren ’50 vorige eeuw)

Slecht geventileerde en vochtige woningen, onwetendheid over vitamines en goede voeding waren reden dat het vroeger, vooral in de winter, niet goed ging met de gezondheid. En natuurlijk ook het roken deed je niet goed. Iedereen rookte mee in de kamer. Baby’s, kinderen, ouders, pake’s en beppe’s, allemaal gehuld in hetzelfde blauwe rookgordijn. Een wekker was niet nodig, je hoorde wel als de heer des huizes scheurend en blaffend opstond. Om de keelpijn, en het hoesten te bestrijden waren er vele middeltjes in de handel. Maar om je preventief te wapenen tegen het onheil, kreeg je iedere avond voor het slapengaan een lepel van die ‘heerlijke’ levertraan en dan zonder tanden te poetsen naar bed. Omstreeks 1900 was dit product onder andere verkrijgbaar bij de volgende middenstanders in Barradeel: Minnertsga bij L. Heukels, Oosterbierum bij M. Sietsma, Sexbierum bij wed. C.C. Knoll en in Wijnaldum bij IJ. de Boer. Maar naast levertraan waren er ook andere middeltjes die gebruikt werden en afdoende moesten zijn bij verkoudheid. Bijvoorbeeld Gomballen die een ‘veelzijdige werking’ hadden bij mond- en keelaandoeningen. Dampo had hoestbonbons in de handel, maar ook een zalf die je moeder voor de nachtrust op je borst smeerde. De tranen sprongen je dan meteen in de ogen van dat sterke spul en je snakte naar adem. Vader zeepte zijn gezicht in met de scheerkwast, moeder nam de Lux toiletzeep ter hand. Of al je klasgenootjes zich elke ochtend wasten was zeer de vraag, als je op de lucht afging. Ook andere tekenen leken soms op een wat gebrekkige persoonlijke hygiëne te wijzen. Bijvoorbeeld als een klasgenootje – die met die groene tanden – met gymles na zijn klompen ook zijn sokken uittrok en je eigenlijk geen enkel verschil zag.
Meinardswei 30

Op oude fotokaarten is duidelijk te zien dat het pand in 1913 nog een café is en dat de uitstraling van het pand in 1916 veranderd is in een winkel. In deze tussenliggende 3 jaar hebben Bernardus Winsemius en zijn vrouw Antje Jacobs Bouma het pand overgenomen en zijn zij een winkel begonnen in kruidenierswaren en manufacturen. Bernardus was venter van beroep en Antje was voor haar huwelijk al ‘winkeliersche’. Bernardus overleed in oktober 1922 daarna werd de zaak voortgezet onder de naam ‘Wed. B. Winsemius’. Later is deze naam gewijzigd in de firma P. B. Winsemius. Begin jaren 1950 stond een heel klein artikeltje in de krant dat de dorpswinkel als volgt omschreef: ‘Een voorbeeld van een degelijke dorpswinkel die reeds 40 jaren lang in ‘t centrum van Minnertsga is gevestigd als manufacturenhandel, drogist en kruidenierswaren. Een goede bediening deed hier de clientèle steeds toenemen, zoodat men ver in de omgeving thans zijn klanten met een eigen auto kan bedienen’. In 1950 heeft Bouwe de With het pand gekocht. Bouwe was eerst in dienst bij Ale Hiddema die op de Tsjillen een fietsenhandel had en vanuit dat pand ook de draadomroep verzorgde voor het dorp. Toen de draadomroep een onderdeel van de toenmalige PTT werd, mocht Ale Hiddema de uitzending niet meer verzorgen en was Bouwe de aangewezen man. Aan het Oosteinde 425f (Hermanawei) begon Bouwe een handel voor zich zelf en verzorgde van daaruit de draadomroep. In 1950 ging hij verhuizen naar de Meinardswei en opende daar een nieuwe winkel en handelde o.a. in radio’s, lampen, schemerlampen, Witte Kat batterijen, wasmachines, en later ook televisies. In de begin jaren zestig van de vorige eeuw was hij regelmatig op daken te zien waarop hij televisieantennes aan de schoorstenen bevestigde. De televisie deed toen bij het grote publiek zijn intrede. In het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw werden de woningen, die haaks op het pand aan de Hegebuorren stonden, afgebroken en is ook de oude schuur die er achter stond met de grond gelijk gemaakt. Met de vrijgekomen ruimte wist men eerst geen raad. Men was het er niet over eens of het nu een groenvoorziening moest worden of een parkeerterrein. Enkele jaren later zijn ook de woningen tussen het pand van Bouwe de With en het Hervormd gebouw afgebroken. In 1979 begon het voor Bouwe de With spannend te worden want ook zijn pand stond kennelijk op de nominatie om gesloopt te worden. Bouwe de With had, nadat hij zijn zaak had beëindigd, plannen om het pand in oude stijl terug te brengen om zo afbraak te voorkomen. Er zou een handtekeningenactie worden gehouden maar dat is er nooit van gekomen. Desondanks is het pand toch blijven bestaan en is het in 1994 door de erfgenamen van De With verkocht.
Toanderke fiskje

Publicatie uit ‘Ald Barradiel’ van de Oudheidkundige Vereniging Barradeel (juni 2010) Tot nu toe laat het warme weer het afweten; de wind zit voortdurend in de verkeerde hoek én het lijkt wel of die daar vastgevroren zit. Laten we hopen dat juni een warmer weertype met zich meebrengt. Ik kreeg ‘mooi weer gevoelens’ bij het doorbladeren van mijn verzameling dorpsgezichten. Op de foto zijn allemaal jonge hengelaars druk in de weer om ‘toarnderkes te fiskjen’. Stijf op de kant zitten ze met een stok-met-een-touwtje te wachten tot ze beet krijgen. Wat is dat prachtig, zo gewaagd op op de rand te zitten. Gelukkig was er een oudere persoon die een oogje in zeil hield. Of het wat ‘bite’ wilde spreekt niet uit de foto, maar in de regel was het met dit soort van activiteiten dat het optimisme hoger stond dan het geduld bij de jeugd. Zelf heb ik dit dorpsbeeld met havenkom niet meer gekend. Net voordat ik het levenslicht zag is de havenkom gedempt. ‘Ús mem’ vertelde mij eens dat, toen ik mij aandiende, dat de ziekenhuisauto (zo werd die toen genoemd) door het zand moest rijden om bij de woning te komen. Mijn ouders woonden toen aan de Meinardswei aan de noordkant van de kerk. In mijn geboortejaar werd de eerste file in Nederland ook een feit. Deze file stond op Eerste pinksterdag, 29 mei, vlakbij Utrecht. Vele Nederlanders die toen in het bezit waren van een auto, waren het pinksterweekend er op uitgetrokken en dat kon de rotonde bij Utrecht niet aan. Mensen die niet in het bezit waren van zo’n prachtig vervoermiddel, genoten langs de kant van de weg van de lange rij auto’s. Enkele jaren later, toen wij groot genoeg waren om alleen de straat op te gaan, genoten wij ook van de auto’s. Dat waren de auto’s die bij ons door het dorp reden. Op zondagmiddag gingen wij gewapend met een schoolschrift en een potlood naar de ‘buorren’ om daar kentekens van auto’s te noteren. Wij hadden net lezen en schrijven geleerd, dus een en ander moest ook in de praktijk worden gebracht. Maar ook het optimisme ging bij ons boven het geduld, want zoveel auto’s kwamen er toen nog niet door het dorp.