Oorlogsherinneringen van Pieter Steensma (deel II)

Pieter Steensma heeft herinneringen uit zijn jeugd, tijdens en na de WOII, aan het ‘digitale papier’ toe vertrouwd met de bedoeling deze te publiceren op de website Minnertsga vroeger. Pieter heeft zijn jeugd doorgebracht in Minnertsga en woont nu in Westerhaar-Vriezenveensewijk en is een zoon van Lolle Steensma en Geesje Bos. Voorafgaand aan Pieter zijn herinneringen had hij mij al meerdere berichten gestuurd met foto’s en zijn aantekeningen er bij. Ook die krijgen nog een plaats op deze website. Maar in de aanloop naar 4 en 5 mei lijkt het mij passend om eerst zijn jeugdherinneringen over de WOII hier te plaatsen. Hierna het tweede deel van Pieter zijn herinneringen. Alles werd steeds krapper. Het ging stapje voor stapje. Eerst werd gas en elektrisch ‘s avonds om negen uur afgesloten. Later was dat er helemaal niet meer. Brandstof was niet meer te krijgen. In de winter werd de kachel gestookt met sjudden Dat was een overblijfsel van vlas. Precies weet ik het niet maar ik meen dat het overbleef na het vlas braken. Er werd een fles in de kachel geplaatst en daar om heen werden de sjudden aangestampt, het kon ook met zaagsel. De fles werd er heel voorzichtig uitgehaald. In het gat kwamen stukjes papier en dunne takjes en dat werd in brand gestoken. Als je geluk had en de schoorsteen trok goed dan gingen de sjudden of het zaagsel gloeien en dan had je voor een poos een warme kachel. Ik herinner me ook dat we nog weer wat later een grote kookkachel in de kamer hadden staan. Die werd gestookt met proppen stro om het eten gaar te krijgen Zo’n prop stro was gauw uitgebrand dus je lag op knieën voor de kachel stroproppen te draaien en die steeds weer in de kachel te gooien tot het eten gaar was. En ‘s avonds. Geen verlichting. Er werd van alles geprobeerd. Carbidlampen. Tot ook het carbid op was. Sommige mensen hadden een apparaat van een naaimachine en een dynamo in elkaar geknutseld. En dan maar om de beurt draaien aan de slinger van de naaimachine. Anderen hadden een fiets op de kop in de kamer met de dynamo op het achterwiel. Draden naar een lampje op tafel en om de beurt aan de trappers draaien. Nog later kwamen de olielampjes. Een glazen mosterdpot met raapolie, zelf een drijvertje gefabriceerd van kurk en een stukje blik. Daarin een kousje van een katoenen draadje en ziedaar een klein vlammetje. Kaarsen waren er allang niet meer te krijgen. Overdag er op uit om te kijken of er ergens nog een eenzame boom om te zagen viel. Maar dan moest je wel uitkijken dat de politie, de Duitsers of de landwacht (Nederlanders die in dienst van de Duitsers waren gegaan) je niet snapten. Die landwachters waren ook nog de beroerdsten. Als je ergens een litertje melk bij een boer op de kop had getikt en je werd aangehouden door landwachters dan werd die melk ingepikt of je moest de fles of […]
Hein Haarsma op it hynder nei de winkel

Griet Haarsma-Visser stjoerde in bysûndere foto fan Hein Haarsma (1928-1999) dy, sa likket it, mei it hynder om boadskip gie nei de winkel. De foto is nei alle gedachte makke túsken 1945 en 1950. Hy is net sa skerp, mar dêrom net minder mooi. Hein sit hjir op it hynder fan Klaas Terpstra. Klaas wenne oan de Skeltingawei, krekt oer it spoar it earste spultsje rjochts. Hein wie dêr faak te helpen. De winkel wer’t Hein mei it hynder foar stiet, is de winkel fan Bernardus Winsemius en Antje Bouma. Hja hiene in krûdenierswinkel oan de Meindardswei – no nûmmer 30 -. Bouwe de Wit kocht letter it pand om de in winkel yn te begjinnen mei radio’s, húshâldlike apparaten en letter ek tillevyzjes. Hein wie in soan fan Piet Haarsma en Antje Joostema. Hja wennen oan de Hege Buorren wer’t heit Piet in skuonmakkerij hie, mar ek in kapperssaak en hy ferkocht rokerij. Hein is letter trouwt mei Sijke de Boer út Berltsum. De foto sit ek yn de byldbank.
Auke Noordstra (1937-1999)

Henny Noordstra uit Wognum (NH) stuurde mij enkele foto’s van haar vader Auke (1937-1999). Auke was een verknocht vrachtwagenchauffeur, maar de meeste Minnertsgaasters zullen hem zeker herinneren als chauffeur van touringcars. Hij ging vaak als chauffeur mee met de muziekvereniging Oranje. Henny heeft daarover mooie verhalen gehoord van haar vader. Volgens Henny is haar vader als (internationaal) chauffeur begonnen bij de firma Althuisius in Tzummarum. Daarna kwmm hij in dienst de firma S. Vrieswijk. In de jaren ’70 werd hij ook touringcarchauffeur. Hij heeft gewerkt bij Postma en Slof tours en tot in de laatste jaren van leven werkte hij bij touringcarbedrijf Paulusma. Tussendoor reed hij nog voor Vrieswijk in de bietencampagne, maar hielp ook weleens andere transportbedrijven uit de brand. Deze foto’s staan ook allemaal in de beedlbank.
Oorlogsherinneringen van Pieter Steensma (I)

Pieter Steensma heeft herinneringen uit zijn jeugd, tijdens en na de WOII, aan het ‘digitale papier’ toe vertrouwd met de bedoeling deze te publiceren op de website Minnertsga vroeger. Pieter heeft zijn jeugd doorgebracht in Minnertsga en woont nu in Westerhaar-Vriezenveensewijk en is een zoon van Lolle Steensma en Geesje Bos. Voorafgaand aan Pieter zijn herinneringen had hij mij al meerdere berichten gestuurd met foto’s en zijn aantekeningen er bij. Ook die krijgen nog een plaats op deze website. Maar in de aanloop naar 4 en 5 mei lijkt het mij passend om eerst zijn jeugdherinneringen over de WOII hier te plaatsen. Hierna Pieter zijn verhaal. Ik heb al het één en ander geschreven over Minnertsga in de tijd van mijn vroege jeugd. Ik ga nu nog even verder. Uit de tijd van voor 1940 herinner ik mij de mobilisatie. Door het dorp reden een enkele keer legerauto’s vol soldaten. We stonden aan de kant van de weg te wuiven. Een enkele soldaat stak zijn hand op maar al te vrolijk zagen ze er niet uit. Begrijpelijk maar voor ons, kinderen, was het een leuke optocht en wat begrepen wij eigenlijk van oorlogsdreiging? Totdat de meidagen van 1940 kwamen. Ik was toen acht jaar. De echte oorlog ging aan Minnertsga voorbij maar bang waren we wel. Vliegtuigen in de lucht, mensen die binnen bleven en als ze naar buiten moesten angstig omhoog keken. Zo leeft het althans in mijn herinnering. Na een paar dagen was het voorbij en haalden we opgelucht adem. Op een mooie morgen mocht ik met vader voorop de fiets een eindje mee. We gingen langs de zeedijk en kwamen daar een drietal Duitse soldaten tegen die vriendelijk groetten. Toen nog wel. In het begin zeiden veel mensen: ‘Och ze vallen nog wel mee’. Dat veranderde al gauw. Het duurde niet lang of allerlei dingen waren niet meer te krijgen. Als kind vind je het dan vervelend dat je niet meer eens een banaan of sinaasappel krijgt. Dat je wel eens vraagt naar apenootjes (Red. pinda’s in dop) maar die zijn er niet meer. Je wilt nog graag eens een stukje chocola maar dat is er niet meer. In de loop van de jaren werd dat steeds erger. Ik herinner me de februaristaking van 1941. Vader was ‘s morgens naar de boer gegaan maar het duurde niet lang of hij kwam terug: ‘We staken’. Een woord dat ik toen voor het eerst hoorde. We woonden naast iemand die lid was van de N.S.B. Die zei: ‘Kijk maar uit jij met je staken’. Verder gebeurde er niets want deze man was wel NSB-lid maar heeft nooit iemand kwaad gedaan. Hoe langer de bezetting duurde, hoe groter de haat tegen de Duitsers werd. Wordt vervolgd. Pieter Steensma (januari 2014)
Albert Thomas Winsemius en Tietje Zondervan (II)

De publicatie van het artikel over Albert Thomas Winsemius en Tietje Zondervan heeft herinneringen los geweekt in de familie van Titia Lindeboom. Haar tante Tina Coffin kwam met een paar mooie herinneringen die het verhaal van Albert en Tietje nog completer maken en van Titia kreeg ik overigens nog een paar mooie foto’s toegestuurd. Voor mijzelf heb ik jaren geleden een kader gemaakt, een lijn getrokken met betrekking tot het onderzoek naar Minnertsga vroeger en de mensen die een relatie hebben met Minnertsga. Grofweg betekend dat kader dat die mensen er geboren moeten zijn of er gewoond hebben of dat zij er overleden zijn. In het geval van Albert Thomas Winsemius, zou ik mij moeten beperken tot zijn geboorte en vertrek uit Minnertsga en dan stopt mijn onderzoek. Hoe moeilijk dat stoppen ook is, maar het voorkomt dat je ten onder raakt in geschiedschrijving die dan niet meer op Minnertsga betrekking heeft. Maar . . . . . . .soms wordt je ertoe verleid om net even buiten de kaders van Minnertsga vroeger te treden. En dus . . . . . . laat ik mij verleiden door de herinneringen van Titia haar tante en de mooie foto’s die zij mij heeft gestuurd. Ze zijn te mooi om er niets mee te doen. Zoals in het vorige artikel zijn Albert Thomas Winsemius en Tietje Zondervan de betovergrootouders van Titia en het zijn de overgrootouders van Tiny Coffin. We pakken de draad even op bij de vier kinderen van Albert en Tietje: in volgorde van geboorte, Trijntje, Antje, Ytje en Thomas. De kinderen zijn allemaal in Boer geboren, een klein dorp enkele kilometers ten noordoosten van Franeker. Vader Albert Thomas was toen arbeider. Heel bijzonder is dat alle kinderen de familienaam Wensemius hebben gekregen en dat Albert Thomas de geboorteakten heeft ondertekend met Wensemius. Dat was niet correct want die naam is in de akten in 1976 gerectificeerd in opdracht van de officier van Justitie van het arrondissement Leeuwarden. De oudste dochter van Albert Thomas en Tietje, Trijntje is dienstbode als zij op 23-jarige leeftijd in het huwelijk treed met de schoenmaker Jacob Jaarsma uit Franeker. Trijntje Winsemius en Jacob Jaarsma kregen een dochter een zoon: Tietje, geboren in 1899 en Tiete geboren 1902. In het begin van de vorige eeuw is het gezin vanuit Franeker verhuisd naar Amsterdam. De foto waar Albert Thomas en Tietje op staan, is gemaakt in hun achtertuin. De moeder van Tina Coffin, Tietje Jaarsma, had het vaak over haar grootouders waar ze als kind wel logeerde. Zij vertelde ook dat Tietje haar grootmoeder, Tietje Zondervan, het gras om de Grote Kerk in Franeker gebruikte voor het bleken van het wasgoed. Tietje moest dan regelmatig er met een gieter naar toe om het wasgoed te besprenkelen met water. Tina Coffin veronderstelde altijd dat Albert Thomas en Tietje aan Het Vliet hebben gewoond en dat de foto daar in de achtertuin is gemaakt. Verder herinnerde Tina dat de naam van het begrafenisfonds: ‘Leniging van smart is […]
Albert Thomas Winsemius en Tietje Zondervan

Een aantal weken geleden was Titia Lindeboom uit Minnertsga ook aangestoken om een paar oude foto’s op de Facebook-pagina van ‘Minnertsga vroeger’ te plaatsen . En . . . . . wat voor foto’s ? Zij vertelde er bij: “Op deze foto’s staan mijn betovergrootouders: Albert Thomas Winsemius en Tietje Zondervan. Albert Thomas werd op 9 mei 1848 in Minnertsga geboren. Door een speling van het lot verhuisde zijn achter- achterkleindochter een half jaar geleden naar zijn mooie geboorteplaats”. Wie was Albert Winsemius? Van hem is wel wat meer bekend en te vertellen dan dat hij op 9 mei 1848 in Minnertsga is geboren. Jaren geleden heb ik van oud-minister Prof. Dr. Pieter Winsemius een (deel van) zijn manuscript gekregen over zijn familiegeschiedenis. Hij is daar zelf de schrijver van en af en toe skewiele wij elkaar met aanvullingen rondom zijn familiegeschiedenis die zich ook in Minnertsga geworteld is geweest. In dat manuscript staat een verhaal over Albert Winsemius en dat zou mooi passen bij de foto’s van Titia. Maar om nu zonder de toestemming van Pieter Winsemius die tekst op Minnertsga vroeger te publiceren gaat mij te ver. Dus contact zoeken met hem. Toeval of niet . . . . ik kreeg vorige week een email van hem waarin hij aankondigde dat op 16 april a.s. zijn nieuwe boek Het Koningsvaandel uitkomt. Ik heb hem maar meteen gevraagd of ik de tekst uit zijn manuscript mag gebruiken voor bij de twee foto’s van Titia. Dat was geen probleem; dus dan maak ik daar graag gebruik van. Thomas Winsemius (1821-1896) en Antje Miersma (1802-1850) woonden in Minnertsga op de Koarnbeurs. Thomas was geboren in St. Jacobiparochie en zijn vrouw Antje in Firdgum. Mogelijk dat het jonge stel na hun huwelijksvoltrekking in 1847 in Minnertsga zijn gaan wonen. Volgens het bevolkingsregister zijn zij Nederlands Hervormd. In 1848 wordt hun zoon Albert – de betovergrootvader van Titia – geboren en in januari 1850 wordt Theunis, hun tweede zoon geboren. Negen maanden later overlijd moeder Antje en Thomas blijft met twee jonge kinderen achter. Maar op 12 mei 1851 neemt Uilkje Klazes Terpstra vanuit Tzummarum haar intrek bij Thomas en de twee kinderen. Uilkje heeft nog een 19-jarige zoon Klaas, maar die verblijft tijdelijk in Hallum. In augustus 1851 trouwt Thomas met Uilkje en op 12 mei 1852 verhuist het gezin naar Franeker. In januari 1864 overlijd Uilkje en Thomas trouwt in 1864 voor de derde keer. Deze keer met de weduwe Ytje Klimmerboom. In die tijd dreef Thomas een winkel in meubelen en aanverwante artikelen. Vrij stellig betrof dit de voortzetting van de activiteiten van de Klimmerbooms. Zoon Albert – de betovergrootvader van Titia – treed in juli 1872 op 24-jarige leeftijd in het huwelijk met de 20-jairge Tietje Zondervan en zij vestigen zich in Franeker. Albert is eerst arbeider maar later wordt hij vonnismans zoals men vroeger de verzekeringsagent noemde. In de volksmond heet hij ‘Albert fonnisman’. Hij was de vonnisman van het Begrafenisfonds. Zijn domein zal zeker de omliggende […]
Jaantje en Perkje Abbenga (vervolg)

Op het artikel over Jaantje en Perkje is gereageerd door Klaas Groeneveld die nog met een aantal opmerkingen en een aanvulling kwam op het verhaal. Dank daarvoor. De beide âlde frijsters woonden niet op de locatie op de kruising Hoarnestreek – Langedijk, maar in de Hoven. Dus aan het eind van de Langedijk. Waarschijnlijk woonden zij in het ouderlijk huis van de Abbenga’s. De ouders van de vrijgezelle dames waren wellicht niet onbemiddelde, want zoals uit familieverhalen blijkt, kwamen er notabelen over de vloer. Dat zou ook kunnen verklaren waarom de dames inkomsten hadden. Jaantje en Perkje waren geen reislustige types, maar kennelijk hebben ze wel een keer een reis ondernomen naar een Leeuwarder fotograaf om er foto’s van hen zelf te laten maken. Die foto’s waren waarschijnlijk bedoelt als een soort van afscheidsfoto voor de twee tantezeggers die naar Amerika zijn geëmigreerd. Op latere leeftijd kregen de dames ondersteuning van de armmeester van de gemeente Barradeel die er later mogelijk ook voor heeft gezorgd dat zij in het armhuis (bejaardenhuis) kwamen in Tzummarum. De dames hadden mooie spullen, maar dat mocht uiteraard de armmeester niet zien bij een huisbezoek. Alles ging dan in de kelder en werd verstopt onder jute zakken. Ze hingen jute zakken aan de waslijn, zogenaamd hun beddengoed en vertelden dat ze daaronder sliepen. De armmeester geloofde het, en ze kregen steun uit de armenkas van de gemeente. Als Neeltje bij haar tante Perkje en Jaantje kwam, gebeurde het meermalen dat Perkje de mededeling deed (een gevleugeld familiegezegde werd dit): “Jaantje het ok weer un flauwte had”. In werkelijkheid, was ze onderuit gegaan nadat ze te diep in ’t glaasje had gekeken. Niemand ging vaak in bad in die tijd . . . . . . en ook deze dames niet. Maar, het regiem was strenger in het armhuis dan thuis in de Hoven. Of Perkje het bad niet heeft overleeft of dat zij het regime als te stressvol ervoer, is niet bekend, maar binnen een paar weken was zij dood en is toen begraven op het kerkhof van Minnertsga aan de zuidkant van de kerk.
Emigreerde familie Feenstra kwam weer terug

Tjipke Feenstra, geboren in 1924 te Hardegarijp, was een zoon van Jelle Tjipkes Feenstra en Gaitske van Houten. In juni 1949 trouwt hij met Johanna Ynskje Boomsma, geboren in 1928 te Minnertsga. Zij was een dochter van Dirk Gijsberts Boomsma en Tjerkje Terpstra. Zij komen te wonen op de Miedleane 8 in het huis waar tegenwoordig het pand van garagebedrijf De Groot staat. Dit was de woning van de oude stemplaats no 9. Het was toen een dubbele woning en eigendom van de familie Boomsma. Zij komen daar naast hun zwager en schoonzuster Jan Heeringa en Attje Heeringa – Boomsma te wonen, die sinds april 1942 in het linker gedeelte van het huis wonen. Hier worden drie kinderen geboren: Jelle (1949), Dirk (1951) en Gooitske Gonnie (1954). Deze boerderij staat ook bekend als stempleats no 9, later no 405 en uiteindelijk als Miedleane no 8 en 10A. Dit type boerderij is een Bildtse Boerderij. De woning staat haaks t.o.v. de schuur. De schuur is later afgebroken en van de woning werd een dubbele woning gemaakt. Op het het land voor de boerderij stond in de jaren veertig rechts een boomgaard en de linker helft was moestuin. Tegenwoordig staat hier het pand van garagebedrijf F. de Groot en herinnert niets meer aan deze prachtige boerderij. Tjipke was als schilder werkzaam bij Glazema in Minnertsga en Ganzinga. Hij hield in zijn vrije tijd kippen en postduiven en kweekte in de grote moestuin violen voor zaad voor de zaadhandel als zijn bijverdienste. Sportief gezien kaatste hij verdienstelijk als Waldpyk en deed mee aan damwedstrijden. Tijdens de wintermaanden namen zij samen deel aan diverse schaatstochten. Daarnaast maakte hij deel uit van de Nationale Reserve. Dit was een reserve eenheid van het leger, in het leven geroepen na de oorlog. Maar af en toe was de motivatie bij deze eenheid ver te zoeken. Het kwam regelmatig voor dat de broekriem was vervangen door een stuk touw. Deelname was verplicht en het wegblijven van zo’n oefening was strafbaar net als bij de Bescherming Bevolking. In 1957 besluiten zij om naar Canada te emigreren. Dit zal vooral ingegeven zijn door het feit dat hij gedurende de wintermaanden vaak thuis zat vanwege de vorstverlet. De winters in die jaren waren lang en koud. Ook de gezondheid van Durk zal hierin mee hebben gespeeld, die had regelmatig last van bronchitisaanvallen tijdens de winters. Inmiddels was zijn zwager Jan Heeringa met zijn gezin al naar Canada vertrokken omdat zijn schoonzuster Attje Heeringa dezelfde gezondheidsproblemen had als zijn zoon Durk, maar in Canada was dat niet het geval. Op 7 juni 1957 vertrekt het gezin Feenstra met de SS Groote Beer vanuit Rotterdam naar Canada. Deze boot was één van drie schepen van de Holland America Lijn die de overtocht van emigranten naar o.a. Australië, de Verenigde Staten en Canada verzorgden. De beide andere schepen waren de SS Zuiderkruis en de Waterman. De overtocht werd gekenmerkt door veel ruw en stormachtig weer waarbij de golven regelmatig […]
Schim van de dorpspomp?

Ruim 30 jaar geleden ben ik begonnen met het verzamelen van familiegegevens van zowel mijn eigen familie, de Bouma’s en die van mijn vrouw, de Zoodsma’s. De bedoeling was om de familiegeschiedenis in beeld te brengen en die later over te dragen aan onze kinderen. Maar het bleef niet bij de eigen familiegeschiedenis. Steeds meer raakte ik ondergedompeld in de historie van ‘myn eigen doarp’ Minnertsga en gaande weg is er een omvangrijk dorpsarchief ontstaan. De historische artikelen uit ‘Nijs út eigen doarp’ van vroeger, waren voor mij een bron van inspiratie. Oud-Minnertsgaaster Gosse Vogel, Jan Heeringa, Bouwe de With waren onder andere de auteurs van die artikelen. En Eva Vogel-Zoodsma was in die tijd voor mij een ‘wandelend’ archief. Wat wist die vrouw veel. Zij wist exact de geboorte-, trouw- en overlijdensdatums te noemen en ze vertelde hoe de familierelaties in elkaar zaten. En als je dan zo bezig bent met de dorpsgeschiedenis, dan komen er ook verhalen en dingen naar boven waarover je, na jarenlang zoekwerk, helemaal geen feitelijke informatie over kunt vinden. Eén van die dingen is de dorpspomp. In Minnertsga moet een dorpspomp hebben gestaan waarmee je water kon oppompen. Dorpspompen stonden meestal in het centrum en vaak in de naaste omgeving van de kerk. In het verleden werd grondwater (ook welwater genoemd), of regenwater voor consumptie of andere doeleinden meestal met behulp van een aker uit een waterput of regenbak geschept. Bijna elke woning of blok van woningen had zo’n een regenbak. Maar in periodes van droogte kon het voorkomen dat de regenbak leeg raakte en men aangewezen was op de dorpspomp. De dorpspomp stond boven een diepe put die door welwater werd gevoed. Maar de put werd in sommige gevallen ook met regenwater gevuld vanaf het dak van de kerk. ‘Der moat froeger ek in wetterpomp yn it doarp stien hawwe’, was het verhaal van oudere mensen, maar waar dat ding heeft gestaan kon niemand vertellen. Ja . . . . . , hij zou vlak bij de kerk hebben gestaan, aan de westzijde of aan de zuidzijde. Met het verzamelen van oude dorpsfoto’s en oude prentbriefkaarten hoop je ooit op één van die kaarten een schim op te vangen van die oude dorpspomp. Elk dorpsbeeld rondom de kerk heb ik uitvergroot en minutieus bekeken, maar helaas . . . . . . geen schim van een dorpspomp. Dorpsbeelden van de havenkom, dus ten westen van de kerk, zijn er voldoende. Zelfs nog uit de periode van rond 1900. Maar dorpsbeelden die gefotografeerd zijn aan de zuidzijde van de kerk, zijn er nauwelijks. Die kant was kennelijk niet fotogeniek genoeg. In de hele verzameling dorpsbeelden is géén pomp te bekennen. Deze week mailde ik met Piter Tigchelaar uit Dalfsen. Hij doet ook historisch onderzoek en stelde mij een vraag over een vroegere bewoner van Minnertsga. In onze emailwisseling wees Piter mij op een paar websites waar interessante informatie te vinden is. Een van die websites is de beeldbank van de Rijksdienst voor het […]
Age Knol was vijftig jaar bode van het Groene Kruis

Age is als enig kind geboren uit het huwelijk van Jacob Ages Knol en Antje Wassenaar. Hij is geboren op 12 december 1857 in Minnertsga en trouwde later met Trijntje Vrieswijk. In de Leeuwarder courant van 27 april 1954 staat een artikel over zijn vijftigjarig jubileum als bode bij het Groene Kruis. Zo’n artikel geeft een inkijkje in het leven van iemand die al lang geleden het aardse bestaan moest verlaten. Hieronder het verhaal uit de krant. ‘Vrijwel iedere dag kan men in het kleine werkplaatsje van de „Tuin- en Landbouwvereniging Minnertsga en Omstreken” een oude man en een hond vinden. De man timmert kisten en de hond poetst aan de broekspijpen van z’n baas de gitzwarte vacht, of ligt stilletjes in een hoekje tegen de door de ramen schijnende zonnestralen te knipperen. Het is een vredig toneeltje. De rust, die pas na vele jaren over een mensenleven komt en de trouw van een hond maken dit stille, afgezonderde werken tot iets buitengewoon bekoorlijks. Men stapt een ander wereldje binnen. Een wereldje zonder atoombommen en vliegtuigen, zonder ijzeren gordijn en conferenties, zonder roddelen en vetes. Werken tussen kisten, knollen en planken, onder het toezicht van een tevreden hond. De 78-jarige heer A. Knol die hier zijn arbeid verricht, houdt niet van opgeschroefde verhalen. Hij praat rustig en verstandig over het leven, dat achter hem ligt. Zonder ophef, hoewel daar wel enige reden voor zou zijn. De heer Knol heeft namelijk, nadat hij als twaalfjarige jongen voor twee-en-een halve cent per uur bij de cichorei-fabriek in dienst trad, heel wat werk gedaan. Niet alleen als fabrieksarbeider, postbode en marktmeester, maar ook in het verenigingsleven. Vooral „Het Groene Kruis” had z’n volledige sympathie en bij het vijftigjarig jubileum van de vereniging, dat vrijdag aanstaande op een enigszins feestelijke wijze in het gebouw van de Ned. Herv. gemeente zal worden gevierd, herdenkt ook de heer Knol de dag waarop hij een halve eeuw geleden als bode bij de vereniging in dienst trad. In de eerste jaren was zijn taak niet zo zwaar. Bij ongeveer vijf en twintig leden moest hij eenmaal per jaar een contributie van één of twee kwartjes innen De vereniging groeide echter ieder jaar zodat de werkzaamheden langzamerhand drukker werden. Aan dit groeiproces werkte de heer Knol zelf trouwens hard mee. Wanneer zich iemand in Minnertsga vestigde, was hij er als de kippen bij, om een nieuw lid voor het „Groene Kruis” te winnen. Eén dezer dagen kon hij „it tal”, dat hij zich had gesteld (500), volmaken. De kroon op het werk want met dit succes heeft de heer Knol het welletjes gevonden. Hij legde, na een halve eeuw trouwe dienst, zijn functie neer. Jongere krachten zullen het werk moeten voortzetten. Of ze het met evenveel zorg en evenveel liefde zullen doen. is iets, dat de tijd zal moeten leren. Het valt niet mee de opvolger van de heer Knol te zijn’. Age is op 10 december 1955 in Minnertsga overleden. Voor zover mij bekend hadden Age en […]