Bewaard gebleven ‘SMS-bericht’ uit 1930

SMS, de afkorting van Short Message Service, is een dienst om met behulp van een mobile telefoon korte berichten te versturen en te ontvangen. Wie werkt er niet mee tegenwoordig. Zelfs de ‘pakes en beppes’ van nu ontkomen er niet aan om ook te kunnen SMS’en en een Facebook account te hebben. SMS; je tikt een maximaal aantal tekens in op het toetsenbord- of scherm van je mobile telefoon en je geeft aan naar wie je het bericht wilt toezenden. Klaar! Om korte berichten te versturen gebruikte je vroeger een briefkaart. Op een briefkaart kon je maar beperkte tekst kwijt – net zoals bij SMS – in tegenstelling tot een brief. Een briefkaart versturen was goedkoper dan een brief. Dus eigenlijk is een SMS-berichtje niets anders dan een digitale briefkaart versturen. In mijn Minnertsga-collectie bewaar ik een paar van die ‘ SMS-berichten’ die vroeger zijn verzonden. Eén daarvan is afkomstig van L. S. Brouwers en is verzonden op 25 augustus 1930. Brouwers schreef: ‘U stuurt toch wel even bericht wanneer wij moeten komen, nietwaar? In afwachting hoogachtend L.S. Brouwers’. De briefkaart was gericht aan: Den heer B. Uilkema, aannemer, Roordahuizum en de adressering was meer dan voldoende om de briefkaart op de juiste plaats van bestemming te krijgen. Lammerts Simons Brouwers had aan de Stasjonstrjitte een bedrijf in stal- en hijsinrichting. Hij was op zeer jonge leeftijd een tijdje in Amerika geweest en hij had daar kennis gemaakt met de ‘moderne’ stalinrichting. In 1919, toen Lammert Simons Brouwers weer in Minnertsga was, liet hij vanuit Amerika materiaal overkomen dat hij hier monteerde en verkocht aan boeren in de omgeving. Eén van de meeste succesvolle producten waar het Minnertsgaaster bedrijf groot mee is geworden, is de veedrinkbak. Later is het bedrijf naar Leeuwarden verhuisd en stond bekend als Brouwers Stalinrichting. Klik op afbeelding voor volledig beeld
Peuterspeelzaal Hege Buorren geopend (1976)

In augustus 1976 werd in Minnertsga de eerste peuterspeelzaal van het dorp geopend. De driejarige kinderen Ingrind Karin Post en Nynke Stienstra hebben de peuterspeelplaats aan de Hege Buorren officieel geopend. De twee meisjes trokken een laken weg, waarna de naam tevoorschijn kwam: “De Peutersoos”. Dertig kinderen maakten toen gebruik van de peuterspeelzaal. De heer Sake Holwerda, van Plaatselijk Belang, bracht vooraf hulde aan de mensen die hebben meegewerkt aan de totstandkoming van de speelzaal, waarbij hij in het bijzonder de heer A. Brandsma noemde. Anderhalf jaar geleden was men al met de peutspeelzaal begonnen in het naastgelegen verengingsgebouw, maar nu heeft men een eigen ruimte. De gemeente Barradeel gaf fl. 1500,00 subsidie. vier dames zullen ieder twee ochtenden in de week leiding geven aan de peuterspeelzaal: E. Stuivenberg-Muis, G. (Griet) de Boer-Zoodsma, H. Helfrich-Galema en J. (Janke) Stienstra-Lautenbach. Na de opening bekeken de genodigden de nieuwe ruimte en werden zij getrakteerd op koffie en oranjekoek. De peuterspeelzaal is vanaf 1976 tot 1983 gevestigd geweest in dit pand. Daarna is de peuterspeelzaal verhuist naar de Collot ‘d Escurystraat waarin vroeger de christelijke kleuterschool was gevestigd. Bron: Leeuwarder Courant 17 augustus 1976 Bildts Documentatiecentrum
Opstellen van Bauke Jansz Miedema (1885 – 1900)

Het familiearchief van de Miedema’s bevat een aantal prachtige oude foto’s, advertenties uit de krant, rouwbrieven, ondertrouwkaartjes en andere documenten die ik zorgvuldig bewaar. Ook zitten er twee hele oude schoolschriften in van Bauke Jansz Miedema. Het zijn prachtige met een kroontjes pen geschreven opstellen van een puber. Maar zijn die opstellen door hem zelf bedacht of heeft hij ze overgeschreven en wie was die Bauke? Bauke is geboren op 26 november 1885. Hij was het eerste kind van Jan Hessels Miedema en Gelbrig Tuinhof. Bauke kreeg er later nog drie broertjes en twee zusjes bij. Hessel, Trijntje, Grietje, Andries en Johannes. Op 18 januari 1900 is het gezin Miedema in diepe rouw. Dat blijkt uit een geschrift, wat overigens een kopie is, dat bij de schoolschriften zit. Het is een briefje met een formaat van ongeveer een half A4-tje dat, aan de vouwlijnen te zien, klein opgevouwen is geweest. Vermoedelijk is het met de hand beschreven papiertje het officiële rouwbericht van de familie. De inhoud is als volgt: Hier rust het stoffelijk overschot van Bouke Jansz Miedema. Geboren te Minnertsga op 26 nov: 1885 Gestorven alhier 18 jan: 1900 Deze jeugdige bloem werd uit onzen huiselijken hof, helaas! te vroeg geplukt. Doch wij willen Gode zwijgen. [ zin onleesbaar] Werdt g’ons door God geleend. De tijd is om – de liefde weent. Toch is de Hoop verblijd; De liefde zucht: Het moet geschieden. De Hope juicht: Tot wederzien! Op de achterkant staat: ‘Hoort, te midden van ’t treuren, Klinkt een welbekende stem: Ouders, wilt niet troostloos treuren. O, ik heb ’t zoo goed bij Hem! Hebt ge om mijn herstel gebeden. God gaf mij een beter lot, Kort geleefd is kort geleden. Vroeg gestorven, vroeg bij God!’. Hoe je deze tekst ook wilt interpreteren; bedroefdheid en hoop zijn in een paar zinnen verweven. Uit de zin: ‘Hebt ge om mijn herstel gebeden’, is op te merken dat Bauke kennelijk ziek is geweest en dat hij daarvan niet is herstelt. Wat zal er een verdriet zijn geweest in het gezin en de familie toen de 14-jarige ‘jeugdige bloem’ kwam te overlijden. De twee schoolschriften van Bauke zijn door de nabestaanden zorgvuldig bewaard gebleven en waarschijnlijk gekoesterd als een aandenken. Immers het zijn opstellen die Bauke met zijn eigen hand heeft geschreven. Een prachtig handschrift waarop hij van de meester, op een enkele keer na, de beoordeling goed of zeer goed kreeg. Of Bauke de teksten ook zelf heeft bedacht, is nog maar de vraag. Het is haast niet voor te stellen dat zo’n jonge jongen zulke mooie geformuleerde zinnen maakt en dat hij al over die woordenschat beschikte die in zijn opstellen is te lezen. Waarschijnlijk kregen de leerlingen op school teksten voorgelegd die zij in schoonschrift over moesten schrijven. Bij een paar opstellen is de waardering van meester: matig. Daarmee doelt hij op het schoonschrift want je kunt zien dat Bauke die opstellen inderdaad wat haastig heeft geschreven. Op de voorkant van een van […]
Belevenissen van een armmeester

In navolging op het vorige artikel over Teake Andries de Jong veertig jaar in dienst van wet en medemens, trof ik nog een artikel over hem aan. Dit artikel is gepubliceerd op 18 januari 1972 in de Leeuwarder courant toen hij zijn 80-jarige verjaardag vierde. Zo is het levensverhaal van deze ‘âld-plysjeman’ nog completer. Teake Andries de Jong – hij woont in Minnertsga en morgen wordt hij tachtig – heeft in zijn leven heel veel gevochten. Meestal werd dat gevecht gevoerd ten gunste van een ander. “Foar in oar woe ik wol fjochtsje”, zegt hij, “foar mysels net.” Die gevechten voerde hij in zijn functie van secretaris-boekhouder van het burgerlijk armbestuur, tevens armmeester van de gemeente Barradeel. Hij vond dat de mensen recht hadden op iets meer dan alleen eten en drinken en dat was in de tijd van de oude Armenwet geen algemeen standpunt. Meestal lukte het de heer De Jong wel iets meer beschikbaar te stellen, want hij stond zijn mannetje in het armbestuur. Het lijkt een niet erg aanlokkelijk beroep, dat van armmeester. Het viel mee, zegt de heer De Jong. Vooral de mogelijkheid om wat extra’s te doen voor mensen die in kommervolle omstandigheden leefden maakte het werken prettig. Dat neemt niet weg dat hij soms trieste tafereeltjes meemaakte. Als voorbeeld noemt hij het geval van een moeder, die snel de bordjes met brood van haar kinderen wegmoffelde toen armmeester De Jong binnenkwam. Zij meende namelijk dat zij haar kinderen geen suiker op het brood mocht geven. Vloermat Het lijken vaak kleinigheden die de heer De Jong zich herinnert uit zijn armmeester-periode. Daar is bijvoorbeeld de oude vrouw, die zich veel opofferingen had getroost om haar eenkamerwoning zo netjes mogelijk te houden. Slechts één ding ontbrak er nog aan: een nieuwe mat. Geld daarvoor had zij niet. De Armenwet stond het eigenlijk ook niet toe, maar armmeester De Jong heeft haar een mat weten te bezorgen. De armenwet heeft al geruime tijd geleden plaat moeten maken voor d e Algemene Bijstandswet, die beter aansluit bij de opvattingen van de heer De Jong. Toch is hij er niet onverdeeld gelukkig mee. Hij meent dat het mensen die niet zo erg van werken houden tegenwoordig wat te gemakkelijk wordt gemaakt om aan de kost te komen. Er zijn meer verschijnselen anno 1972, waartegen Teake de Jong zo zijn bezwaren heeft. Als oud-politieman (eerst in Den Haag, later in Barradeel) zou hij soms wel eens een wat steviger optreden willen zien bij ordeverstoringen. Hij heeft eens opgemerkt hoe opgeschoten jongens een politieagent vroegen zich te verwijderen, opdat zij konden doorgaan met vuurtjestoken. Als zoiets hem was gevraagd, hadden de jongens zonder enige twijfel een pak slaag gekregen. “Ik makke noait folle forbalen, mar ik ha in soad klappen útdield”, zegt hij over zijn veldwachterstijd. Teake de Jong stamt uit een timmermansgeslacht in Workum. Min of meer automatisch kwam hij ook in dat vak terecht. Gelukkig voelde hij zich daar echter bepaald niet in. Toen het er in 1916 […]
Taeke de Jong veertig jaar in dienst van wet en medemens

Op 31 januari 1957 stond een artikel in de krant over het afscheid van Taeke Andries de Jong (1892 – 1973) als secretaris-boekhouder van het burgerlijk armbestuur. Daarvoor was De Jong een lange tijd veldwachter in Minnertsga, maar de ouderen onder ons zullen hem herinneren toen hij allang van zijn pensioen genoot. Taeke Andries de Jong overleed 16 oktober 1973. Befke, die getrouwd was met Sikke Groeneveld, was een dochter van hem. Hij was dus de ‘pake’ van Baukje, Jilles, Taeke en Joukje Groenveld uit Minnertsga. ‘Het gemeentebestuur van Barradeel zal vanmiddag na de raadszitting in het gemeentehuis officieel afscheid nemen van een man, die bekend is in de gehele gemeente en ver daarbuiten: de heer T. A. de Jong uit Sexbierum, armmeester, zoals dat vroeger heette, of sociaal ambtenaar in de nieuwe, sociale terminologie. Vandaag gaat de heer De Jong, die als Bondsspreker van de Bond van Staatspensionering heel Friesland heeft afgereisd, zelf wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd met pensioen. Hij sluit daarmee een ambtelijke loopbaan van meer dan veertig jaar af. De heer De Jong werd in Workum geboren. In 1916 kwam hij bij de politie in Den Haag. In 1918 was hij al weer terug in Friesland: als veldwachter in Minnertsga. Hij deed zich daar te kennen als ’n streng, maar strikt rechtvaardig politieman, uitgerust met een grote dosis mensenkennis. In 1939 werd hij chef veldwachter te Sexbierum. In 1943 werd hij om gezondheidsredenen afgekeurd voor de politiedienst. Hij kreeg toen een benoeming als secretaris-boekhouder van het burgerlijk armbestuur. Verleden jaar was hij veertig jaar als ambtenaar in dienst van de Overheid. De heer De jong is een onvermoeid werker op sociaal gebied. ’s Winters gaat hij avond op avond spreken voor vergaderingen van de Bond van Staatspensionering , waarvan hij Bondsspreker is en secretaris van het provinciaal comité Friesland. Hij is in Barradeel verder nog reclasseringsambtenaar en gezinsvoogd. De laatste tijd is hij druk bezig voor het nieuwe rusthuis in Tzummarum dat zijn voltooiing nadert. Omdat hij bij alle voorbereidende werkzaamheden een voorname rol heeft gespeeld en alle nog niet voor elkaar is, heeft de gemeente een beroep op hem gedaan om na vandaag nog een maand in dienst te blijven. Het burgerlijk armbestuur van Barradeel zal straks worden omgezet in een sociale dienst. Deze dienst zal onderdak krijgen in het nieuwe gebouw van de gemeentewerken in Sexbierum. De heer De Jong heeft kantoor van het armbestuur steeds aan huis gehad. Hij kreeg thuis ook alle bezoeken. De heer De Jong beperkte zijn werk niet tot zijn zuiver ambtelijke plichten. Hij stond gezinnen en bejaarden terzijde. Nu hij gaat vertrekken willen velen hem daarvoor nog bedanken. Een oude man stopte hem een paar sigaren in handen. Een andere gaf hem een paar pond bruine bonen; ‘Fan myn eigen túntsje’. En een oud vrouwtje gaf een maaltijd spruitjes. ‘Der is al in heap foroare, al dy jierren’, zegt de heer De Jong. ‘Foarhinne spriek men fan “arme” of “behoeftige”, nou is it “geval”, […]
Tulpenvelden Minnertsga volop in bloei

Rond de jaren ’30 van de vorige eeuw was het kweken van tulpen in Minnertsga en omstreken ‘hot’. Rondom het dorp stonden de tulpenvelden in bloei, het moet een grote kleurenpracht zijn geweest. Jammer dat er toen nog geen kleurenfoto’s werden gemaakt. Er zijn nog wel een paar gewone zwart/wit foto’s die ons een beeld geven van toen. Een paar berichten uit de krant van toen. MINNERTSGA, 30 April 1930. Evenals in meerdere plaatsen in de omgeving zijn hier gardeniers die tulpen kweeken. Er zijn stukken land van 2 en 3 pondernaat die met tulpen bebouwd zijn. Reeds Zondag was er veel belangstelling om de velden Ie bezichtigen, hoewel den komenden Zondag nog meer tulpen in vollen bloei zullen staan. HET BILDT, 21 April 1931. Werden we gisteren verrast door bloeiende tulpen, de eerste dit jaar, in bloemperkjes door den Noorder’ wind beschut, vandaag zagen we ze ook op ’t veld en wel op het proefveld in gebruik bij Groeneveld en Tuinman op de Moeie Paal. Te midden van 25 verschillende soorten tulpen en de crokussen, die deze weken onze aandacht trokken door hunne bloei, was het nu de Grand Cue, die ons verbeidde als een voorbode van de beteekenis van de bloembollen. Want van beteekenis kunnen de bloembollen worden in onze omgeving. In onze gemeente zijn ongeveer 20 H.A. met bloembollen bepoot, in Minnertsga alleen 20 ha. Zonder overdrijving kan het arbeidsloon per H.A. op fl. 5OO bepaald worden; men hoort ook vaker dan eens fl. 2OOO noemen in dit verband. Waar dus veel grond met tarwe nog is uitgezaaid en daar niet veel op wordt verdiend, zou het van groot belang zijn, dat bovengenoemde teelt succes heeft. En ze staan er weer bijzonder mooi voor niettegenstaande de winter in Maart de oorzaak is, dat ze 14 dagen later in bloei komen dan vorige jaar. Toen waren ze om deze tijd bloeienden, nu zal ’t nog zóó lang dure dat ze in hun volle pracht zijn; maar als altijd: de eerste trekken de aandacht. MINNERTSGA, 24 april 1934. De bloeiende ’tulpen op de velden bij Minnertsga leveren thans een prachtig gezicht op en bewijzen tevens, dat sommige gronden in het Noordwesten van Friesland voor de bollenteelt even geschikt zijn als de geestgronden in Noord- en Zuid-Holland. Zondag werden de Friesche bollenvelden druk bezocht, Op den achtergrond het dorp. Bron: Leeuwarder courant
Nog meer foto’s vroegere postkantoorhouders familie Vis

Op deze weblog heb ik al een paar keer aandacht besteed aan de postkantoorhouders familie Vis. Jetske Vis was de laatste postkantoorhouder aan de Stasjonstrjitte die het postkantoor over had genomen van haar vader Minne. Op die berichten/verhalen is gereageerd door familieleden die mij nog wat foto’s hebben toegestuurd. Die foto’s horen hier eigenlijk ook een plaats te krijgen. Zo kunnen anderen ook weer meegenieten van de vroegere bewoners van Minnertsga. Op de foto de eerste foto staat Dirk (1904 – 1974), zoon van Minne Vis en Antje Muller. Dirk heeft korte tijd de post bezorgd in Minnertsga en omgeving. Hij staat hier afgebeeld op de motor met het kenteken B-5335. Dat kenteken is afgegeven op 2 juni 1922 aan Hessel Pettinga. Pettinga handelde in rijwielen, brommers en motoren en had zijn garage naast het pand van de Firma Schotanus. Vorige week kreeg ik een reactie van de zoon van Dirk. ‘Ik bin de soan fan Dirk Vis dy´t as jonkje op de foto stiet. Bij pake en beppe ha ik gauris útfanhuze. Ek holp ik bij de jierswikseling wol omkaarten te stempeljen. Wat betreft de nammen kin ik jo fertelle dat dat gauris ferkeard gong, net allinne bij mulder en muller mar ek wol mei postma en posthuma. Myn heit, Dirk Vis, hat yn 1939 mei de hân de saneamde stamkaarten makke foar Barradiel. Hij helle de gegevens út it befolkingsregister mar dat miste nogal ris in kear. Sommigen blieken neffens it register net iens te bestean. Lykwols kaam elk de stamkaart heljen omdat der letter distribúsjebonnen op te krijen wienen. De earste bonnen wienen foar sûker. Dêr wie genoch fan mar dat moast út prebeare wurde en dat slagge pûrbest want elk kocht de sûker op de bonnen’. De foto met de plaggenhut is waarschijnlijk gemaakt tijdens een dorpsfeest. De hut heeft de eerste prijs. Op het geveltje staat: Bezichtig deze Hut. Links op de foto staat Minne Vis de postkantoorhouder en dus de pake van de Minne Vis die zijn herinnering heeft gemaild. Maar wie is de man rechts op de foto en waar is deze foto gemaakt? Ik ben benieuwd of er reacties op deze vraag komen. Hiernaast nog een foto van Sipke Minnes Vis en Baukje Herrema. Sipke Minnes was een zoon van Minne en Antje Muller. Baukje Herrema kwam van Berlikum. Zij zijn getrouwd op 1 oktober 1940. Dubbelklik op de foto’s voor een vergrote weergave. 26-12-2013 aanvulling op dit artikel: Bij de foto met de ‘plaggenhut’ is de man rechts op de foto Rinse Terpstra (1889-1963). Hij was getrouwd met Maartje Heeringa (1890-1985). Het echtpaar woonde in het ‘stjelpke’ aan de Scheltingawei 2 in Minnertsga. Kleinkind Anja Klug-Terpstra herkende haar ‘pake’.
Onzichtbare burgemeester Den Haag begraven in Minnertsga

Een burgemeester is iemand die het boegbeeld moet zijn van de gemeente. In Minnertsga hebben vroeger burgemeesters gewoond die daar een voorbeeld van waren. Burgemeester L.W. de Vries (1849-1928) en burgemeester Bauke Anema (1870-1950) waren van die boegbeelden in het dorp, maar ook in de gemeente Barradeel waar Minnertsga vroeger toe behoorde. Maar in Den Haag was in het begin van de vorige eeuw een burgemeester die zijn kamer en het stadhuis zelden uitkwam. Mr. Joan Sippo baron Van Harinxsma thoe Slooten was van 1892 – 1898 eerst burgemeester van Leeuwarden en werd daarna burgemeester van Den Haag. Hij voelde zich ver verheven boven het gewone volk om er mee om te gaan. Hij kwam dan ook weinig uit zijn uit zijn burgemeesterskamer vandaan. Slechts weinig Hagenaars hebben het genoegen gehad hem te mogen ontmoeten tijdens zijn ambtsperiode, waarbij deze burgervader dan nog niet naliet duidelijk van zijn hoge afkomst te doen blijken. Daarbij moeten zijn bestuurlijke kwaliteiten niet buitengewoon zijn geweest. Toen hij op 4 april 1904 stierf, heeft zijn heengaan slechts een heel kleine kring kunnen ontroeren – de Hagenaars zelf zei het overlijden van deze burgervader gewoon niets. Het is interessant en bijzonder verschillend hoe de media van die dagen reageerden op de dood van burgemeester van de residentiestad. “De burgerij”, aldus de Telegraaf, “stond verre van deze burgemeester, die zelden zich langs de drukke straten vertoonde, geen drang bezat naar het burgervaderlijke, naar minzaam ambtsvertoon buiten de raadzaal en burgemeesterskamer. Nimmer bijna daalde hij van den troon van administratie en gezag, naar het huiselijk verkeer der burgerij. Gevers Deynoot, Patijn, De Beaufort lieten zich gaarne vinden voor een prijsuitreiking, een beschermheerschap, of gaven plechtigheid en eere aan uitvoeringen van de vele zang- en toneel- en gymnastiekvereenigingen der Hagenaars. Burgemeester Van Harinxma zag men echter zelden of nooit te midden van zijn burgers; de meesten kenden zelfs zijn gelaat niet, noch wisten waar hij woonde. Dat de doodtijding in de stad weinig anders dan als nieuws ontvangen werd, is niet te verklaren uit antipathie of ontevredenheid met het burgermeesterlijk beleid; de burgerij kan niet treuren, want zij heeft haar burgemeester nooit gekend. Baron Van Harinxma werd hier vroeger reeds geschetst als een onbuigzaam Friesch edelman. Uit zijn geheele verschijning sprak het onverzwakte geloof in natuurlijke hoogheid van den adelstand. Deze naïeve hooghartigheid stempelde zijn gansche wezen. Hij was geen handjes-gevende aristocraat met een overproductie aan glimlachjes voor de “poorters”, die hij echter in het binnenst van zijn gemoed naar de plebs verwijst – maar onze verscheiden burgemeester was spontaan aristocraat, die het bewaren van den afstand niet aan het “bon sens” van den burger overliet, doch zelf steeds en onverbiddelijk zijn hooge geboorte te gevoelen gaf. Menig raadslid heeft dat ervaren. Deze eigenschap moge hinderlijk zijn geweest – en menigmaal kon dat hier blijken – zij bewees tevens burgemeester’s oprechtheid, want hij was een eerlijk man, die zich in deugd en ondeugd zonder omwegen gaf. Was hij als type van den Frieschen adelstam een bijzondere figuur, […]
Jelte Posthumus viert honderdste verjaardag in Tzummarum

Deze keer een actueel artikel uit de Franeker courant van deze week. Jelte Posthumus is een ‘Minnertsgeaster om útens’ en mag in mijn beleving met zijn hoge leeftijd niet ontbreken op Minnertsga vroeger. TZUMMARUM Jelte Posthumus heeft vrijdag zijn honderdste verjaardag gevierd in zorgcentrum Nij Bethanië in Tzummarum, waar de eeuweling sinds vijf jaar woont. Burgemeester Fred Veenstra van de gemeente Franekeradeel kwam vrijdagochtend bij de jarige op bezoek om hem te feliciteren met het bereiken van deze mijlpaal. Op 19 april 1913 kwam Jelte Posthumus in Minnertsga ter wereld als oudste zoon van Bote Posthumus en Jitske Bekius. Hij kreeg daarna nog twee zussen. Jelte wilde graag timmerman worden, maar werd zoals toen veel jongens landarbeider. Het was hard werken. In 1939 trouwde hij met Antje Hiemstra. Tijdens de oorlogsjaren kregen ze een dochter en twee zonen en na de oorlog werden er nog twee jongens geboren. Ze bleven steeds in Minnertsga wonen en Jelte werkte tot z’n zestigste bij de boer. Daarna moest hij nog op zoek naar ander werk. Hij was nog vijf jaar werkzaam bij de kabelgraverij en kwam zodoende ook eens aan de andere kant van de Afsluitdijk. Jelte is dankbaar dat alle kinderen nog leven. Er zijn elf kleinkinderen en een groot aantal achterkleinkinderen. In 1998 stierf zijn vrouw en Jelte bleef zelfstandig wonen tot z’n 95ste levensjaar. Toen ging het niet meer en verhuisde hij naar Nij Bethanië, waar hij sedertdien met veel plezier woont. Hij laat weten ingenomen te zijn met de goede verzorging die hij er ontvangt. Bron: www.franekercourant.nl
I-pod van oerbeppe Gatske begin jaren ’50

Op de Facebook-pagina van ‘Minnertsga vroeger’ verschijnen steeds meer mooie foto’s van vroegere dorpsbewoners, oude dorpsgezichten en portret- en familiefoto’s. Fotoalbums worden doorgekeken en schoenendozen worden omgekeerd om maar weer wat mooie foto’s op Facebook te kunnen zetten. En bij die foto’s wordt vaak in een korte bewoording een herinnering geschreven of de foto’s worden aangevuld met namen. Het is fantastisch om deze herinneringen en informatie op deze wijze met elkaar te delen. Zelf heb ik ook nog maar eens een oude foto opgezocht die toch ook wel heel bijzonder is. Op de foto staat mijn oerpake Hendrik Bouma met zijn vrouw, mijn oerbeppe Gatske Tighelaar. Oerpake Hendrik Bouma is geboren op 9 oktober 1870 in Berlikum. Hij trouwde op 25-jarige leeftijd met de toen 21-jarige Gatske Tigchelaar. In februari 1897 werd hun eerste kind geboren. Later zouden er nog zeven volgen. De kinderen zijn geboren in Beetgum, Berlikum, Dronrijp, Minnertsga, Firdgum en Menaldum. Dat had te maken met het feit dat Hendrik arbeider was en van de ene boer naar de andere ging te werken. Over het algemeen waren arbeiders een jaar in dienst bij de boer. In de buurt van de boerderij stonden vaak een paar arbeiderswoningen waar de arbeider dat jaar dat hij in dienst was kon wonen. Voor zover er over een arbeidscontract kon worden gesproken, ging het arbeidscontract in op 12 mei en liep tot 12 mei in het jaar daarop. Oorspronkelijk was 1 mei de datum waarop een nieuw arbeidscontract en ook de pachtcontracten van boeren werd aangegaan. Toen in 1700-1701 ook in Friesland overgegaan werd van de Juliaanse op de Gregoriaanse kalender veranderde 1 mei in 12 mei. Na 31 december 1700 volgde namelijk 12 januari 1701. In het Fries wordt 12 mei nog altijd “âlde maaie” genoemd, doelend dus op oude datum 1 mei. Op 12 mei werd er vroeger veel getrouwd. Het was op die datum, of er vlak voor of na die datum, druk op het gemeentehuis met het voltrekken van huwelijken. Vijftien paren in de echt verbinden op zo’n dag was geen bijzonderheid. Henrdik en Gatske hebben het laatst gewoond in een woning op Dirkjebuorren. Daar stond vroeger nog het oude voorhuis van een afgebroken boerderij. In dat oude voorhuis waren verschillende wooneenheden gemaakt. Volgens een plattegrond die mijn vader ooit een keer heeft getekend van Dirkjebuorren waren er vier wooneenheden in gemaakt. Mijn oerpake- en beppe woonden in het tweede vanaf de voorkant gezien. In november 1923 trouwde hun zoon Gerrit (mijn pake) met Grietje de Jong en op 18 april 1924 werd in St. Annaparochie hun eerste kindje geboren. Een meisje met de naam Grietje. Pake Gerrit woonde later met zijn gezin in een kleine arbeiderswoning in de Mieden. Waarschijnlijk zijn de woonomstandigheden slecht geweest want toen mijn pake zijn vrouw in verwachting was van mijn vader in 1926, kreeg zij TBC. Na de bevalling werd het zo erg dat zij opgenomen moest worden in het sanatorium in Appelscha. In die periode kreeg ook het dochtertje […]